ECLI:NL:RVS:2013:BZ8388
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring en terugkeerbesluit in samenhang met EU-recht
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de uitspraak van de rechtbank die het beroep tegen zijn vreemdelingenbewaring ongegrond verklaarde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de toepasselijkheid van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens op de rechterlijke toetsing van vreemdelingenbewaring en terugkeerbesluiten onderzocht.
De Afdeling bevestigt dat de rechtbank terecht het beroep tegen de maatregel van bewaring heeft behandeld op grond van artikel 94 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waarbij de termijnen voor rechterlijke toetsing in lijn zijn met het EVRM en het Handvest. Het onderscheid in termijnen tussen inverzekeringstelling en maatregel van bewaring is gerechtvaardigd en schendt geen fundamentele rechten.
Verder oordeelt de Afdeling dat hoewel de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit niet bij het beroep tegen de maatregel van bewaring getoetst kan worden, de rechtbank op grond van artikel 6 van Pro het Handvest verplicht is gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig ingestelde beroepen tegen beide besluiten ook gelijktijdig te behandelen. Dit is noodzakelijk om het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en onmiddellijke vrijlating bij onrechtmatige bewaring te waarborgen.
De Afdeling wijst klachten over het ontbreken van motivering voor het niet stellen van prejudiciële vragen af, evenals klachten over de toepassing van het beginsel van evenredigheid en de eerbiediging van de rechten van verdediging. Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.