ECLI:NL:RVS:2013:1481
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van schending verdedigingsbeginsel bij verlenging bewaring vreemdelingen
Bij besluiten van 19 en 29 april 2013 werd de bewaringstermijn van twee vreemdelingen verlengd met maximaal twaalf maanden. De rechtbank verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond en wees hun verzoeken om schadevergoeding af. De vreemdelingen gingen in hoger beroep en stelden dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat schending van het verdedigingsbeginsel niet tot vernietiging van de verlengingsbesluiten leidde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU over de gevolgen van schending van het recht om te worden gehoord bij verlenging van bewaring. Het Hof oordeelde dat niet elke schending automatisch tot opheffing van de bewaring leidt, maar dat de nationale rechter moet beoordelen of de schending de mogelijkheid tot verweer daadwerkelijk heeft ontnomen.
De Afdeling concludeerde dat in de onderhavige zaken de vreemdelingen tijdens vertrekgesprekken en zittingen geen feiten hadden aangevoerd die rechtvaardigen dat de verlengingsbesluiten onrechtmatig waren. De schending van het verdedigingsbeginsel had hen niet de mogelijkheid ontnomen om zich te verweren, zodat de rechtbank terecht de beroepen ongegrond verklaarde. De verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtbankuitspraak en wijst de verzoeken om schadevergoeding af.