Uitspraak
201007265/1/H2) dat in het geval tussen een partij en zijn gemachtigde een familierelatie bestaat, de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand niet kan worden aangemerkt als door een derde verleende rechtsbijstand in de zin van het Bpb. De Afdeling ziet thans aanleiding haar jurisprudentie op dit punt te preciseren, waarbij zij aansluiting zoekt bij het arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2012, in zaak nr. 11/04773 (LJN: BY0531). Een familierelatie staat er op zichzelf niet aan in de weg dat de gemachtigde als derde wordt aangemerkt. Die familierelatie staat ook niet aan het beroepsmatige karakter van verleende rechtsbijstand in de weg, met dien verstande dat als rechtsbijstand wordt verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van de belanghebbende in beginsel moet worden aangenomen dat deze niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend.
200803635/1) heeft de Afdeling vastgesteld dat [gemachtigde] beroepsmatig rechtsbijstand verleent. De Afdeling stelt voorts vast dat [gemachtigde] niet behoort tot het huishouden van [appellante]. Er is geen aanwijzing dat de rechtsbijstand in dit geval niet op zakelijke basis is verleend. De omstandigheid dat [appellante] in beroep een nota heeft overgelegd van de kosten die haar in rekening zijn gebracht, vormt een aanwijzing voor het tegendeel. De rechtbank heeft ten onrechte uit het enkele feit dat geen betalingsbewijs is overgelegd, afgeleid dat de aan [appellante] verleende rechtsbijstand niet op zakelijke basis is verleend. Niet is vereist dat ten tijde van de uitspraak van de rechtbank een declaratie is opgemaakt of dat de kosten ten tijde van die uitspraak zijn voldaan. Een en ander brengt met zich dat ervan moet worden uitgegaan dat [appellante] in beroep is vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend.