ECLI:NL:CRVB:2016:1963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing Nederlandse socialezekerheidswetgeving bij grensoverschrijdende arbeid en overschrijding redelijke termijn
Appellante, woonachtig in België en werkzaam voor een Nederlandse werkgever, betwistte de toepassing van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had een A1-verklaring afgegeven en later ingetrokken, waarna bezwaar en beroep werden ingesteld. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens twijfel over de vertegenwoordiging.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat de gemachtigde wel bevoegd was appellante te vertegenwoordigen, waardoor de eerdere uitspraak werd vernietigd. De Raad beoordeelde inhoudelijk dat appellante minder dan 25% van haar werkzaamheden in België verrichtte, waardoor de Nederlandse wetgeving terecht van toepassing is. Het overgangsrecht en de procedurele aspecten werden eveneens besproken en bevestigd.
Verder werd geoordeeld dat de totale duur van de procedure de redelijke termijn overschreed met bijna vier maanden, wat aanleiding gaf tot een schadevergoeding van €500,-. De Staat der Nederlanden werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding, en de Svb moest het betaalde griffierecht aan appellante terugbetalen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de Nederlandse socialezekerheidswetgeving blijft van toepassing; de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.