ECLI:NL:RVS:2012:BX7465
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken risico op toezichtontduiking
De vreemdeling werd op 2 juli 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld omdat werd aangenomen dat hij zich niet aan zijn vertrektermijn had gehouden en daardoor het risico bestond dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken of de terugkeer zou ontwijken. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling gedurende twee jaar aan zijn wekelijkse meldplicht had voldaan, een vaste woonplaats had via de gemeente Tubbergen, een bijstandsuitkering ontving en ingeschreven stond in de gemeentelijke basisadministratie. Bovendien was zijn identiteitskaart in bezit van de Vreemdelingenpolitie en had hij steeds aangegeven terug te willen keren naar Burundi.
Gezien deze omstandigheden bestond geen grond om aan te nemen dat de vreemdeling zich aan het toezicht zou onttrekken of de verwijderingsprocedure zou belemmeren. De maatregel van bewaring was daarom onrechtmatig. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven moest worden. Tevens werd aan de vreemdeling een schadevergoeding toegekend en de minister veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens het ontbreken van een risico op toezichtontduiking en de maatregel wordt onrechtmatig verklaard.