ECLI:NL:RVS:2014:2153
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling niet in vreemdelingenbewaring wegens ontbreken significant risico op onderduiken
De vreemdeling werd op 12 maart 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld vanwege vermoedens dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en dat hij niet over voldoende middelen van bestaan beschikte. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State overwoog dat op grond van artikel 28 van Pro de Dublinverordening en de Vreemdelingenwet 2000 vreemdelingen alleen in bewaring mogen worden gesteld indien er een significant risico bestaat dat zij zich aan het toezicht zullen onttrekken. Hoewel de wettelijke voorwaarden formeel waren vervuld, bleek uit de feiten dat de vreemdeling bereid was mee te werken aan zijn overdracht, zich aan de meldplicht hield en bereikbaar was voor de Dienst Terugkeer en Vertrek.
Daarom was er geen sprake van een significant risico op onderduiken. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Tevens werd een vergoeding toegekend voor de periode van bewaring en werden proceskosten aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring werd opgeheven wegens het ontbreken van een significant risico op onderduiken en het beroep van de vreemdeling werd gegrond verklaard.