ECLI:NL:RVS:2011:BT7424
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- H.G. Lubberdink
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding na onrechtmatige vreemdelingenbewaring
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring krachtens de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris en minister van Justitie hadden het verzoek en het daarop volgende bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank had het beroep eveneens ongegrond verklaard.
Appellant stelde dat hij ten onrechte in bewaring was gesteld, omdat hij reeds in 1985 een asielaanvraag had ingediend en daarmee onder de pardonregeling viel. Tevens voerde hij aan dat hij rechtmatig verblijf had tijdens de bewaring en dat de weigering tot schadevergoeding in strijd was met het EVRM. De minister stelde dat de bewaring rechtmatig was getoetst door de vreemdelingenrechter en dat de pardonregeling pas met terugwerkende kracht vanaf 15 juni 2007 geldt, zonder erkenning van onrechtmatigheid.
De Afdeling overwoog dat de wettelijke regeling in artikel 106 Vw Pro 2000 een bijzondere en exclusieve regeling voor schadevergoeding na opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel bevat, waardoor een zuiver schadebesluit niet mogelijk is. Ook mocht de minister op grond van de Awb afzien van het horen in bezwaar, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding bevestigd.