ECLI:NL:RVS:2013:CA0647
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- H.G. Lubberdink
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit schadevergoeding na afwijzing verzoek appellant
Appellant verzocht om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de staatssecretaris in verband met de afwijzing van een aanvraag verblijfsvergunning en de daaropvolgende vrijheidsontnemende maatregel. De staatssecretaris wees het verzoek af en de rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat het verzoek van appellant niet gericht was op schade door de vrijheidsontnemende maatregel, maar op immateriële schade door het besluit van 23 mei 2007. De rechtbank had ten onrechte de uitspraak van 12 oktober 2011 toegepast die alleen ziet op schade door vrijheidsontnemende maatregelen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van 11 april 2011 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
Desondanks bleven de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. De Afdeling oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit van 23 mei 2007 onrechtmatig was wegens onvoldoende bewijs van onafgebroken werk in de referteperiode. Tot slot werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met de Awb, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.