Uitspraak
200702346/1 en 200702346/2, overwogen dat [appellante] er op basis van de opeenvolgende, stilzwijgende, verlengingen niet op kon vertrouwen ook in de toekomst steeds over de aan haar verleende parkeervergunningen te kunnen blijven beschikken. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat het mogelijk is dat parkeervergunningen, ook gedurende vele jaren, telkens worden verlengd zonder dat is getoetst of nog aan de voorwaarden wordt voldaan. De rechtbank heeft terecht van belang geacht dat als de brief van PHC Parkeerservices van 8 juni 2009 zou moeten worden aangemerkt als een concrete toezegging dat zij over de drie parkeervergunningen op code kon blijven beschikken en deze toezegging is gedaan door een daartoe bevoegd persoon, deze toezegging slechts een beperkte geldigheidsduur zou hebben. Nu de geldigheid van de vergunningen eerst is verlengd tot de uitspraak van de rechtbank en thans tot aan de uitspraak op het hoger beroep, is dan ook geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel.