ECLI:NL:RVS:2010:BO8020
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen ongewenstverklaring vreemdeling wegens strafrechtelijke veroordeling en geloofsovertuiging
De staatssecretaris van Justitie heeft de vreemdeling ongewenst verklaard en zijn verblijfsvergunning ingetrokken vanwege een strafrechtelijke veroordeling in Duitsland voor invoer van verdovende middelen. De vreemdeling voerde aan dat hij zich in Nederland tot het christendom had bekeerd en dat zijn uitzetting naar Iran een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro (verbod op foltering en onmenselijke behandeling) opleverde.
De rechtbank had de besluiten van de staatssecretaris vernietigd, stellende dat de vreemdeling aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico liep op een met artikel 3 EVRM Pro strijdige behandeling. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de vreemdeling daadwerkelijk christen is, terwijl dit in een eerdere onherroepelijke uitspraak als ongeloofwaardig was beoordeeld.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat de vreemdeling geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die het rechtmatig verblijf zouden rechtvaardigen en dat de belangenafweging van de staatssecretaris, waarbij het algemeen belang bij handhaving van de openbare orde zwaarder weegt dan het individuele belang van de vreemdeling, rechtmatig is. Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de ongewenstverklaring van de vreemdeling blijft gehandhaafd.