ECLI:NL:RVS:2010:BO6348
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Beëindiging opvang vreemdeling wegens ontbreken acute medische noodsituatie niet onrechtmatig
De zaak betreft het besluit van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) om de verstrekkingen aan een vreemdeling en haar zoon te beëindigen. De vreemdeling voerde aan dat bijzondere omstandigheden, waaronder haar chronische HIV-behandeling en psychische klachten, een voortzetting van de opvang vereisten. De rechtbank had het besluit van het COa vernietigd en de opvang voortgezet.
De Raad van State oordeelt dat het COa zich in redelijkheid op haar standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake was van een acute medische noodsituatie die een voortzetting van de opvang rechtvaardigde. Hoewel de vreemdeling en haar zoon aanspraak kunnen maken op voortgaande medische behandeling op grond van artikel 10 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, betekent dit niet dat het COa verplicht is om opvang te blijven bieden.
De Raad van State benadrukt dat uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geen algemene verplichting voor het COa volgt om opvang te verlenen aan vreemdelingen die niet rechtmatig verblijven. Het hoger beroep van het COa wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van het COa wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard, waardoor de opvang mag worden beëindigd.