ECLI:NL:RBSGR:2011:BV0356
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit COA over opvang asielzoekster en haar minderjarige kind wegens schending EVRM-artikelen 3 en 8
Eiseres, samen met haar minderjarige dochter, diende een aanvraag in voor opvang en verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva) 2005. Het COA wees deze aanvraag af omdat eiseressen niet tot de categorieën behoorden die recht hebben op opvang volgens artikel 3 Rva Pro 2005.
De rechtbank constateerde dat verweerder niet adequaat is ingegaan op het beroep van eiseres op artikel 3 EVRM Pro in samenhang met het arrest M.M.S. tegen Griekenland en België van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Dit arrest benadrukt dat het ontbreken van opvang en slechte levensomstandigheden kunnen leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro. Daarnaast werd het belang van het gezin en de kwetsbaarheid van zowel het kind als eiseres zelf, die psychische stoornissen heeft, onderstreept op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van verweerder onvoldoende gemotiveerd was en in strijd met de Awb-artikelen 3:2 en 3:46. Tevens werd gewezen op het belang van hereniging van moeder en kind en het onwenselijke van gescheiden opvang, zoals plaatsing van het kind in een pleeggezin. De rechtbank vernietigde het besluit en gaf verweerder vier weken de tijd om een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met deze uitspraak.
Ten slotte werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiseres. De uitspraak bevestigt het belang van bescherming van kwetsbare vreemdelingen en hun gezin op grond van het EVRM en stelt eisen aan de motivering van besluiten over opvang.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.