ECLI:NL:RVS:2010:BO2098
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Volledige toetsing aan artikel 8 EVRM bij mvv-vereiste in vreemdelingenrecht
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie had de aanvraag afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De voorzieningenrechter had dit beroep ongegrond verklaard.
De Raad van State stelt dat in afwijking van eerdere jurisprudentie een volledige toets aan artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) moet plaatsvinden bij de beoordeling of het ontbreken van een geldige mvv kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de uitzetting van de vreemdeling verenigbaar moet zijn met het recht op respect voor privé- en gezinsleven.
De staatssecretaris had in zijn besluit een belangenafweging gemaakt waarbij rekening werd gehouden met de familiebanden van de vreemdeling, de situatie in het land van herkomst, en de belangen van haar echtgenoot en kind. De Raad van State oordeelt dat deze belangenafweging niet onjuist is en dat de weigering van de verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de weigering van de verblijfsvergunning bevestigd.