ECLI:NL:RVS:2010:BN3366
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging ongewenstverklaring wegens strijd met rechtszekerheidsbeginsel
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank die het besluit van 11 oktober 2006 tot handhaving van de ongewenstverklaring van de vreemdeling vernietigde. De vreemdeling was veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden wegens valsheid in geschrift, gepleegd in 2002. Ten tijde van deze veroordeling kon de vreemdeling volgens het toen geldende beleid niet ongewenst worden verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000.
Met ingang van 1 november 2004 trad het aangescherpte beleid WBV 2004/63 in werking, waardoor ook een veroordeling tot een gevangenisstraf van een maand of meer aanleiding kon zijn tot ongewenstverklaring. Dit beleid kende geen overgangsregeling. De rechtbank oordeelde dat toepassing van dit aangescherpte beleid op de vreemdeling in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het beleid niet voorzienbaar was ten tijde van de gedraging.
De staatssecretaris voerde aan dat het rechtszekerheidsbeginsel niet van toepassing is omdat de ongewenstverklaring volgt uit de strafrechtelijke veroordeling en niet uit de gedraging zelf, en dat de rechtbank ten onrechte het legaliteitsbeginsel als toetsingskader hanteerde. De Afdeling oordeelt dat het legaliteitsbeginsel hier niet speelt en bevestigt dat het rechtszekerheidsbeginsel zich verzet tegen de onmiddellijke werking van het aangescherpte beleid zonder overgangsregeling. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De ongewenstverklaring wordt vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.