ECLI:NL:RBDHA:2021:11897
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning wegens beleidswijziging detentie in buitenland
Eiser, houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, verbleef van 2005 tot 2017 in detentie in Griekenland. In 2014 wijzigde het beleid waardoor detentie in het buitenland werd aangemerkt als verplaatsing van het hoofdverblijf, wat een grond voor intrekking van de verblijfsvergunning vormt. Verweerder trok daarop de vergunning in.
De rechtbank oordeelt dat het rechtszekerheidsbeginsel zich verzet tegen deze beleidswijziging in het nadeel van eiser, omdat hij al in detentie was vóór de beleidswijziging en geen overgangsregeling gold. Eiser kon niet voorzien dat zijn detentie gevolgen zou hebben voor zijn verblijfsrecht.
De rechtbank stelt vast dat de beleidswijziging geen terugwerkende kracht heeft, maar de facto wel achteraf nadelig is voor eiser. Verweerder erkent dat de standstillbepaling uit het Aanvullend Protocol beperkingen aan Turkse onderdanen verbiedt, maar beroept zich op gelijkstelling met EU-onderdanen.
De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat het beleid niet op hem mag worden toegepast zonder overgangsregeling en vernietigt het bestreden besluit. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.