ECLI:NL:RVS:2008:BC2487
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bevoegdheid en motivering bij ongewenstverklaring vreemdeling en tweede asielaanvraag
De vreemdeling werd bij besluit van 25 maart 2005 ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na een tweede asielaanvraag op 30 mei 2006 oordeelde de minister op 11 oktober 2006 dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf had en handhaafde de ongewenstverklaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris stelde hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister eerst moest toetsen of de tweede asielaanvraag rechtmatig verblijf opleverde. Ook werd geoordeeld dat de minister wel degelijk het ingeroepen artikel 3 EVRM Pro had betrokken in zijn besluitvorming. Daarnaast stelde de Raad vast dat de minister niet verplicht was nader in te gaan op de aard en ernst van het misdrijf omdat hij het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro niet aannemelijk achtte.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor een nieuwe behandeling met inachtneming van de juiste rechtsopvattingen. Tevens werden de proceskosten vastgesteld en werd bepaald dat de rechtbank over de vergoeding daarvan beslist.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de zaak terug vanwege onjuiste motivering en toetsing van rechtmatig verblijf en artikel 3 EVRM.