ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ9213
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.I.H. Kerstens-Fockens
- H.W. Vogels
- G.F. van der Linden-Burgers
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel en oplegging inreisverbod na veelplegersregeling
Eiser, een Somalische vreemdeling met een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, werd geconfronteerd met een besluit tot intrekking van zijn vergunning en oplegging van een inreisverbod van tien jaar vanwege ernstige strafbare feiten. De rechtbank stelde ambtshalve vast dat procesbelang bestond voor het beroep tegen de intrekking, mede omdat het inreisverbod afhankelijk is van een terugkeerbesluit.
Eiser voerde aan dat de veelplegersregeling (artikel 3.86 Vb 2000), die op 31 juli 2010 in werking trad, niet retroactief toegepast mocht worden op delicten gepleegd vóór die datum, en dat de intrekking daarmee in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. Verweerder betoogde dat bij delicten na de inwerkingtreding ook eerdere delicten meegewogen mogen worden. De rechtbank volgde verweerder en oordeelde dat de regeling juist werd toegepast en dat eiser door het plegen van nieuwe misdrijven de regeling over zichzelf had afgeroepen.
De rechtbank stelde echter vast dat het bestreden besluit onjuist verwees naar de oude tekst van artikel 3.86 Vb 2000 en dat het recht zoals dat gold ten tijde van het besluit van toepassing is. Hierdoor werd het beroep gegrond verklaard wegens strijd met artikel 3:46 Awb Pro. Desondanks liet de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand vanwege de ernst van de gepleegde misdrijven, die voldeden aan de criteria van artikel 22b WvS.
Ten aanzien van het inreisverbod oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht geen bijzondere individuele omstandigheden had aangenomen om het inreisverbod te matigen of niet op te leggen. Het inreisverbod van tien jaar was niet in strijd met de artikelen 3 en 8 EVRM, mede omdat eiser onvoldoende had onderbouwd dat de situatie in Somalië onveilig was en zijn familie in Engeland woont, buiten de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt gegrond verklaard maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.