Uitspraak
200106008/1). Op basis van de huidige jurisprudentie is een onherroepelijke veroordeling niet noodzakelijk om in de terminologie van de APV te mogen spreken van in enig opzicht slecht levensgedrag (zie ook ABRvS 12 maart 2001, GS 151 (2001) 7141, 2)".
200702818/1), heeft overwogen, is in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999, waarnaar in de toelichting bij artikel 2.3.6 van de APV wordt verwezen, geen nadere omschrijving gegeven van de eis dat de leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Gelet hierop zijn geen beperkingen opgelegd ten aanzien van feiten of omstandigheden, die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat, anders dan [appellant] stelt, niet vereist is dat aan de beoordeling van de burgemeester een onherroepelijke veroordeling ten grondslag ligt. De burgemeester heeft bij zijn oordeel dat [appellant] in enig opzicht van slecht levensgedrag is, betekenis mogen toekennen aan het strafvonnis van de rechtbank Dordrecht. Anders dan [appellant] betoogt, is evenwel het in bezwaar gehandhaafde besluit noch de uitspraak van de rechtbank enkel gebaseerd op het strafvonnis van de rechtbank Dordrecht. In het besluit van 15 november 2007 is immers overwogen dat het is gebaseerd op het advies van de Politie Rotterdam-Rijnmond van 26 september 2007 en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal van het onderzoek GIGANT, alsmede het strafvonnis van de rechtbank Dordrecht. De rechtbank heeft ter motivering van het oordeel dat [appellant] in enig opzicht van slecht levensgedrag is, eveneens verwezen naar voornoemd advies en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal.
200604486/1), heeft overwogen, betreft de intrekking van een exploitatievergunning een reparatoire sanctie in het kader van de openbare orde gericht op het bestrijden van laakbaar gedrag van horecaondernemers. De rechtbank heeft in dit verband terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat [appellant] heeft aangeboden zich vrijwillig terug te trekken uit de exploitatie van het café, niet noopt tot het oordeel dat het reparatoire karakter van de intrekking verandert en met de intrekking de openbare orde niet meer kon zijn gediend, gelet op de gevolgen die een intrekking ook overigens heeft.