ECLI:NL:RVS:2007:BB9422
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en beoordeling zicht op uitzetting na lange periode
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die de inbewaringstelling van een vreemdeling op 29 augustus 2007 had opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting. De rechtbank had bij haar beoordeling de eerdere opheffing van de bewaring betrokken, terwijl er een periode van meer dan een jaar tussen beide beslissingen lag.
De Raad van State oordeelt dat bij een dergelijke lange periode tussen de opheffing van de eerdere bewaring en het opleggen van een nieuwe maatregel, de eerdere opheffing niet relevant is tenzij bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd. Omdat dergelijke omstandigheden niet zijn gesteld, heeft de rechtbank ten onrechte de eerdere opheffing betrokken in haar oordeel.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af. De staatssecretaris heeft het rechtmatig zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn voldoende aannemelijk gemaakt, mede gelet op de medewerking van de vreemdeling bij een aanvraag om een laissez-passer.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing is genomen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 27 november 2007.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.