ECLI:NL:RVS:2007:BC1070
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en beoordeling zicht op uitzetting na eerdere opheffing
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die de vreemdelingenbewaring van een vreemdeling had opgeheven en schadevergoeding had toegekend. De vreemdeling was op 15 oktober 2007 in bewaring gesteld, maar de rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarendheid had betracht bij de uitzetting.
De Raad van State stelt vast dat de staatssecretaris tijdens de strafrechtelijke detentie van de vreemdeling meerdere vertrekgesprekken heeft gevoerd, waarbij de vreemdeling geen medewerking verleende aan het vaststellen van zijn identiteit. Hierdoor is er geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend was. Tevens is vastgesteld dat de vreemdeling de Algerijnse nationaliteit bezit en dat de Algerijnse autoriteiten bereid zijn een laissez passer af te geven indien juiste gegevens worden verstrekt.
De Raad van State oordeelt dat het feit dat de eerdere bewaring was opgeheven wegens gebrek aan zicht op uitzetting niet relevant is na een periode van meer dan twee jaar, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Gezien het tijdsverloop en het ontbreken van bijzondere omstandigheden, is er nu wel zicht op uitzetting. Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het beroep van de vreemdeling ongegrond en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.