ECLI:NL:RVS:2007:BB8500
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- P.A. Offers
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling disproportionaliteit bij onthouden verblijfsvergunning op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de weigering van een verblijfsvergunning asiel vanwege toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, omdat hij betrokken zou zijn geweest bij martelingen. De vreemdeling voerde aan dat het onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel was gezien zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder het afronden van een opleiding geneeskunde en het feit dat zijn echtgenote en kinderen een zelfstandige verblijfsvergunning hadden.
De Raad van State overweegt dat het primair aan de staatssecretaris is om te beoordelen of bijzondere omstandigheden disproportionaliteit rechtvaardigen en dat de rechter dit oordeel terughoudend moet toetsen. De persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling werden niet als zodanig bijzonder aangemerkt dat het onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel zou zijn.
Daarnaast werd het beroep op artikel 8 EVRM Pro (recht op privéleven en beroepsuitoefening) verworpen omdat dit niet zo ver reikt dat toelating moet worden verleend aan vreemdelingen die onder artikel 1F vallen. Het hoger beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard, het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning bevestigd.