ECLI:NL:RBSGR:2010:BP0911
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende motivering bij weigering verblijfsvergunning in strijd met artikel 8 EVRM
Eiser, een Afghaanse nationaliteit, heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend die door verweerder is afgewezen. De rechtbank constateert dat in het bestreden besluit geen inhoudelijke beoordeling is gemaakt van artikel 8 EVRM Pro, terwijl eiser heeft aangevoerd dat het onthouden van een verblijfsvergunning leidt tot ernstige belemmeringen in zijn gezins- en privéleven.
Verweerder baseert zijn besluit op artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag en stelt dat de scheiding tussen asiel en regulier betekent dat artikel 8 EVRM Pro niet in deze procedure kan worden betrokken. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft meegewogen dat eiser illegaal verblijft zonder te kunnen vertrekken, niet kan werken en geen recht heeft op gezondheidszorg en scholing.
De rechtbank verwijst naar het beleid uit de Vreemdelingencirculaire waarin wordt aangegeven dat situaties waarin geen verblijfstitel wordt verleend maar ook geen uitzetting plaatsvindt, onwenselijk zijn en voorkomen moeten worden. Verweerder had daarom alle omstandigheden, inclusief het feit dat de gezinsleden van eiser een verblijfsvergunning hebben, in onderlinge samenhang moeten beoordelen.
De rechtbank oordeelt dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en een draagkrachtige motivering mist. Daarom wordt verweerder in de gelegenheid gesteld het besluit binnen vier weken aan te vullen of te herzien, waarna een definitief oordeel kan volgen.
Uitkomst: Verweerder krijgt vier weken de tijd om het besluit te herzien of aan te vullen, verdere beslissing wordt aangehouden.