ECLI:NL:RVS:1996:AB1446
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens gevaar voor openbare orde zonder hoorzitting
De zaak betreft het hoger beroep van de Staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het besluit tot afwijzing van een naturalisatieverzoek vernietigde wegens het niet houden van een hoorzitting. De Staatssecretaris had het verzoek afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, omdat er ernstige vermoedens waren dat de verzoeker gevaar opleverde voor de openbare orde.
De rechtbank oordeelde dat het horen van de verzoeker noodzakelijk was, omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was en er geen reden was om af te zien van de hoorzitting. De Staatssecretaris beriep zich op het imperatieve karakter van de wet en het beleid dat geen discretionaire bevoegdheid toelaat, maar de Raad van State stelde dat de open norm in de wet wel ruimte laat voor precisering en dat het horen essentieel is om bijzondere omstandigheden te kunnen meewegen.
De Raad van State vernietigde het bestreden besluit voor zover daarin niet was bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven, bevestigde de rest van de uitspraak en veroordeelde de Staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten. De rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit blijven gehandhaafd omdat geen feiten of omstandigheden waren aangevoerd die het oordeel van gevaar voor de openbare orde konden weerleggen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van het naturalisatieverzoek en vernietigt het bestreden besluit deels vanwege het onterecht achterwege laten van een hoorzitting.