Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3116

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
BRE 23/12032
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 2, tweede lid, Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op hogere kostenvergoeding en immateriële schadevergoeding bij naheffingsaanslag BPM

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €4.879, die na bezwaar is verminderd tot €4.759. De rechtbank beoordeelt dat de aanslag terecht is vastgesteld, waarbij de herleidingsmethode niet toepasbaar is en de door belanghebbende gestelde schade onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De hogere historische nieuwprijs leidt niet tot een lagere handelsinkoopwaarde vanwege een hogere CO2-uitstoot die verband houdt met opties van het voertuig.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht in de beroepsfase een ander standpunt mocht innemen over de handelsinkoopwaarde. Wel heeft belanghebbende recht op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat de inspecteur de vergoeding te laag heeft vastgesteld in strijd met een arrest van de Hoge Raad. Daarnaast is de redelijke termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase met ongeveer acht maanden overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €1.000.

De rechtbank vernietigt het deel van de uitspraak op bezwaar dat de kostenvergoeding betreft en bepaalt dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van €1.332 voor de bezwaarfase. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot betaling van de immateriële schadevergoeding, en de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het beroep wordt gegrond verklaard.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM is terecht opgelegd, maar belanghebbende krijgt een hogere kostenvergoeding en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/12032
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] VOF, gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.879.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.759
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase en of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd
.Belanghebbende heeft wel recht op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Ook heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 7 februari 2023 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Ford S-Max 1.5 Titanium met VIN-nummer [nummer] (de auto), en een bedrag van € 1.159 aan Bpm voldaan.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 15.784.
3.2.
Bij de aangifte heeft belanghebbende tevens de inkoopfactuur overgelegd. De inkoopfactuur vermeldt een bedrag van € 18.000. Op de inkoopfactuur wordt geen melding gemaakt van schade.
3.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport vermeldt geen waardevermindering wegens schade. In het DRZ-rapport is daarover het volgende opgemerkt: “Alle opgegeven schade is niet aangetroffen of valt onder gebruiksschade.” De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 4.879 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.
3.4.
In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de verschuldigde Bpm verminderd tot € 4.759 in verband met de vermindering van de handelsinkoopwaarde van € 20.492 tot € 15.884.

Motivering

4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast. Verder is in geschil welke afschrijvingsmethode moet worden toegepast en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat.
Herleidingsmethode
4.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Afschrijvingsmethode
4.2.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport.
Schade
4.3.
Belanghebbende voert aan dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat onvoldoende rekening is gehouden met de door hem gestelde schade aan de auto. De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 12.363 en deze voor 85% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht.
4.4.
De inspecteur betwist dat sprake is van schade aan de auto waarmee ter bepaling van de handelsinkoopwaarde rekening moet worden gehouden. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt. Op de inkoopfactuur wordt geen melding gemaakt van schade.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade dient te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig.
4.6.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar het taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van de taxatierapporten en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds 3,5 jaar oud was en 62.382 kilometer had gereden. Dat betekent dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast.
Historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
4.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat de historische nieuwprijs, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [2] , € 51.255 bedraagt. Partijen houdt verdeeld of de hogere historische nieuwprijs leidt tot een hoger afschrijvingspercentage voor de toepassing van de koerslijstmethode.
4.8.
Belanghebbende stelt dat uitgaande van de door de inspecteur op basis van de koerslijst X-Ray vastgestelde handelsinkoopwaarde van € 15.884 de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 3.864. Een hogere CO2-uitstoot leidt niet tot een hogere handelsinkoopwaarde. Belanghebbende stelt verder dat de inspecteur niet mag terugkomen op de eerder gebruikte handelsinkoopwaarde, omdat dit in strijd is met het vertrouwensbeginsel.
4.9.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de hogere historische nieuwprijs meebrengt dat tevens van een hogere handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan, omdat rekening moet worden gehouden met een hogere CO2-uitstoot. De hogere CO2-uitstoot zal verband houden met de uitvoering of opties van de auto.
4.10.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) heeft betwist. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering onderbouwen. [3] Dit betekent dat belanghebbende het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus tot een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. [4] De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet in die bewijslast is geslaagd. Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft kunnen maken waardoor het verschil in CO2-uitstoot wordt veroorzaakt, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat een verschil in CO2-uitstoot zoals in deze zaak aan de orde is, te weten een verschil van 21 gr/km, zijn oorzaak moet vinden in een verschil in CO2-verhogende opties. Een dergelijk verschil in opties heeft gevolgen voor de handelsinkoopwaarde. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, had het op de weg van belanghebbende gelegen om toe te lichten of sprake is van verschillen in opties tussen de te registreren auto en het Nederlandse referentievoertuig en, zo ja, om te motiveren waarom die verschillen in opties géén invloed hebben op de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende is dus niet in zijn bewijslast geslaagd. De rechtbank neemt hierbij mede in overweging dat de inkoopfactuur een bedrag van € 18.000 vermeldt. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat, zoals de inspecteur terecht heeft betoogd, de hogere CO2-uitstoot van het te registreren voertuig een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt.
Mogelijkheid om terug te komen op de handelsinkoopwaarde
4.11.
De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de inspecteur niet mag terugkomen op de eerder gehanteerde handelsinkoopwaarde. De inspecteur is weliswaar in eerste instantie aangesloten bij een koerslijst van X-Ray, maar het staat de inspecteur in beginsel vrij om in de beroepsfase een nader standpunt in te nemen. Ook uit de door belanghebbende overgelegde e-mail volgt niet dat de inspecteur dat in dit geval niet kon doen. Belanghebbende miskent dat de e-mail niets zegt over de standpuntbepaling van de inspecteur binnen het toepassen van de koerslijstmethode.
Hoogte van de naheffingsaanslag
4.12.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Kostenvergoeding in bezwaar
4.13.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 [5] en gesteld dat de kostenvergoeding te laag is vastgesteld.
4.14.
Deze klacht is gegrond. De inspecteur heeft de vergoeding van de kosten in bezwaar vastgesteld op € 592 (twee punten met een waarde van € 296 per punt en wegingsfactor 1). Zoals de Hoge Raad in het voornoemd arrest heeft geoordeeld, dient punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht buiten toepassing blijven. De rechtbank zal daarom de vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen op € 1.332 (twee punten met een waarde van € 666 per punt en wegingsfactor 1).
Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
4.15.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. [6] Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.
4.16.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 7 september 2023 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 21 november 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 15 april 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond acht maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.000. Deze vergoeding komt volledig voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de toekenning van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase en bepaalt dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding voor de kosten van het bezwaar van € 1.332. Verder heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De rechtbank ziet aanleiding om de proceskostenvergoeding te matigen op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld en het punt waarop belanghebbende in het gelijk wordt gesteld licht van gewicht is. [7] De rechtbank stelt de vergoeding vast met toepassing van een wegingsfactor van 0,5. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding en bepaalt dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de kosten van het bezwaar van € 1.332;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.000;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 934 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
De griffier is buiten staat
deze uitspraak mede te
ondertekenen
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
3.Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147.
4.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3376.
5.Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
6.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
7.Hoge Raad 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283.