ECLI:NL:RBZWB:2026:1753

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23/11073
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 AWRArt. 10 lid 8 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende deed op 22 september 2021 aangifte BPM voor een Jaguar F-Type met een taxatierapport, waarna de inspecteur een hertaxatie liet uitvoeren en een naheffingsaanslag van € 4.612 oplegde. Belanghebbende betwistte de aanslag en stelde dat het vertrouwensbeginsel was geschonden vanwege het tijdsverloop tussen de schouw en de naheffingsaanslag.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd binnen de wettelijke termijn en dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. De rechtbank volgt de inspecteur in de afwijzing van de door belanghebbende gestelde waardevermindering wegens schade en schadeverleden, mede omdat de RDW de auto heeft goedgekeurd.

De rechtbank stelt vast dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de taxatiemethode en dat de inspecteur terecht de forfaitaire tabel heeft toegepast. De belastingrente wordt gehandhaafd. Wel kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de Staat komt. Tevens worden proceskosten toegekend voor het verzoek om schadevergoeding.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt bevestigd, het vertrouwensbeginsel wordt niet geschonden, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11073
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.612 (de naheffingsaanslag). Tevens heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht van € 15 (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of het vertrouwensbeginsel is geschonden. Verder beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Van schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 22 september 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Jaguar F-Type 3.0 V6 S Convertible met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 413.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft op 30 september 2021 een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ).
4.3.
De inspecteur heeft op 27 september 2022 belanghebbende schriftelijk geïnformeerd dat hij voornemens is een naheffingsaanslag op te leggen. De inspecteur heeft vervolgens naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 5.506 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

Vertrouwensbeginsel
4.4.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop tussen de schouw bij DRZ (4.2) en de kennisgeving van de naheffingsaanslag (4.3), de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet zou worden teruggekomen.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. [1] De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden en de naheffingsaanslag ruim voor het verstrijken van de naheffingstermijn aangekondigd. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw bij DRZ de naheffingsaanslag op te leggen of dat door DRZ of de inspecteur na de schouw uitlatingen zijn gedaan waaruit belanghebbende heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat aan haar geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De rechtbank ziet in de eerdere uitspraak [2] van rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake.
Waardevermindering in verband met schade
4.6.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 29.123 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Daarnaast heeft de taxateur rekening gehouden met een waardevermindering van € 5.544 in verband met schadeverleden. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade in aanmerking genomen. Bij bevindingen heeft DRZ het volgende opgemerkt:

Alle opgegeven schadeposities zijn niet aangetroffen of kunnen als gebruikersschade* worden aangemerkt. Hierdoor wordt er geen waardevermindering aan het voertuig toegekend.
*(Bij gebruikersschade is er rekening gehouden met de leeftijd en kilometerstand
van het voertuig)
4.7.
De rechtbank volgt de stelling van de inspecteur niet dat sprake is van essentiële gebreken en dat de auto in deze toestand niet kan zijn goedgekeurd door de RDW. De rechtbank leidt uit de stukken af dat de auto op 17 januari 2022 is gekeurd door de RDW en dat de auto is goedgekeurd zodat deze mag deelnemen aan het verkeer. Door de RDW is kennelijk na beoordeling vastgesteld dat de auto op dat moment - mogelijk na reeds verrichte herstelwerkzaamheden - op essentiële onderdelen voldoet aan de vereisten van de wegenverkeerswetgeving en dat geen sprake is van een essentieel gebrek. Naar het oordeel van de rechtbank is deze vaststelling beslissend en is het niet aan de inspecteur om daar een andere invulling aan te geven. [3]
4.8.
Met betrekking tot de hoogte van de waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank als volgt.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan gebruikersschade ten tijde van de aangifte. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto door DRZ is gekeurd en op dat moment de in het taxatierapport opgenomen schade, voor zover aanwezig, kennelijk gerepareerd was ten tijde van de opname bij DRZ. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Al hetgeen de inspecteur verder heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
Waardevermindering in verband met schadeverleden
4.10.
Belanghebbende heeft gesteld dat de auto in het verleden een frontale botsing heeft gehad en hierdoor moeilijk verkoopbaar is. Hierdoor dient rekening te worden gehouden met een waardevermindering als gevolg van een schadeverleden van € 5.544, aldus belanghebbende.
4.11.
De inspecteur heeft betwist dat sprake is van een waardevermindering als gevolg van schade.
4.12.
De rechtbank stelt voorop dat voor het in aanmerking nemen van een waardevermindering in verband met schadeverleden de belastingplichtige de werkelijke handelswaarde van de te registeren personenauto moet aantonen. Dit dient gestaafd te worden aan de hand van een deskundigenonderzoek waarmee aangetoond wordt dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en wat de waardeverminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden. [4] Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, met hetgeen is aangevoerd, niet aangetoond dat sprake is van een waardevermindering in verband met schadeverleden.
Hoogte naheffingsaanslag
4.13.
Belanghebbende heeft bij het op aangifte voldoen van de bpm ervoor gekozen om de waarde van de auto te bepalen met toepassing van de taxatiemethode. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.12 en 4.15 is niet aannemelijk geworden dat de auto toentertijd aanwijsbare schade had die viel aan te merken als “meer dan normale gebruiksschade”. Dit brengt mee dat het door belanghebbende bij het doen van aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van de auto nu de daarin opgenomen gegevens – waaronder de daarin beschreven schade – niet stroken met de staat waarin de auto verkeerde ten tijde van het doen van de aangifte voor de bpm met het oog op de registratie in het Nederlandse kentekenregister. [5] Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende om deze reden niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de taxatiemethode. Al hetgeen de inspecteur verder heeft ingebracht met betrekking tot het taxatierapport, behoeft dan geen behandeling meer.
4.14.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto niet voorkomt op een koerslijst.
4.15.
Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur terecht de verschuldigde belasting gebaseerd op de forfaitaire tabel. De naheffingsaanslag is derhalve terecht en tot een juist bedrag opgelegd.
Belastingrente
4.16.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Immateriële schadevergoeding
4.17.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.18.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 12 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 16 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.19.
Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt 5/16 deel, derhalve € 469 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.031 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [6] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [7] maar de redelijke termijn was op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 469;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.031;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Deze uitspraak is enkel door de griffier ondertekend aangezien de rechter is verhinderd om te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
3.Vgl. Hof Amsterdam 17 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5114 en Hof Arnhem-Leeuwarden 9 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2426.
4.Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2.
5.Artikel 10, lid 8, van de Wet BPM.
6.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
7.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.