Belanghebbende deed op 22 september 2021 aangifte BPM voor een Jaguar F-Type met een taxatierapport, waarna de inspecteur een hertaxatie liet uitvoeren en een naheffingsaanslag van € 4.612 oplegde. Belanghebbende betwistte de aanslag en stelde dat het vertrouwensbeginsel was geschonden vanwege het tijdsverloop tussen de schouw en de naheffingsaanslag.
De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd binnen de wettelijke termijn en dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. De rechtbank volgt de inspecteur in de afwijzing van de door belanghebbende gestelde waardevermindering wegens schade en schadeverleden, mede omdat de RDW de auto heeft goedgekeurd.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de taxatiemethode en dat de inspecteur terecht de forfaitaire tabel heeft toegepast. De belastingrente wordt gehandhaafd. Wel kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de Staat komt. Tevens worden proceskosten toegekend voor het verzoek om schadevergoeding.