ECLI:NL:RBZWB:2025:9239

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
23/11129
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 december 2025 wordt het beroep van belanghebbende, een B.V., tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 4.341, welke door de rechtbank als terecht werd beoordeeld. De rechtbank behandelt de vraag of de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en of de herleidingsmethode voor de BPM kan worden toegepast. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld en dat er geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Tevens wordt er een verzoek om immateriële schadevergoeding behandeld, waarbij de rechtbank vaststelt dat de redelijke termijn voor de behandeling van het geschil is overschreden. De rechtbank kent belanghebbende een schadevergoeding van € 2.500 toe, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en de Staat komt. De uitspraak wordt openbaar gemaakt en partijen worden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11129

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.341.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen, namens de gemachtigde van belanghebbende, mr. M.U. Sahin, en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast en of sprake is van een waardevermindering wegens schade.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 17 februari 2020 aangifte gedaan voor de registratie van een Mitsubishi Pajero, VIN eindigend op [nummer] , (de auto) en een bedrag van € 1.349 aan Bpm voldaan.
4.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport van 14 december 2019 gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vermeld van € 13.029. De taxateur heeft een schadebedrag van € 14.343 berekend en hiervan € 10.392 (72%) als waardevermindering in aanmerking genomen. De handelsinkoopwaarde in beschadigde is berekend op € 2.637.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 31 januari 2020. Daarin is een handelsinkoopwaarde van € 12.870 vermeld. DRZ heeft een bruto schadecalculatie gemaakt van € 1.816 en hiervan € 1.479 (81%) als waardevermindering in acht genomen. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op € 11.391.
4.3.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ bij het opleggen van de naheffingsaanslag het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 5.690.

Overwegingen

Vertrouwensbeginsel
4.4.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop tussen de schouw bij DRZ op 23 januari 2020 en de kennisgeving van de naheffingsaanslag van 30 juni 2021, de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet meer zou worden teruggekomen.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. [1] https://pi.rechtspraak.minjus.nl/ - _d3aaf63e-ef80-48c9-8b8d-581f2f243745 De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden en de naheffingsaanslag ruim voor het verstrijken van de naheffingstermijn aangekondigd. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen of dat door DRZ of de inspecteur na de schouw uitlatingen zijn gedaan waaruit belanghebbende heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat aan haar geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De rechtbank ziet in de eerdere uitspraak [2] van rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake.
Herleidingsmethode
4.6.
Bij zijn arrest van 11 juli 2025 [3] heeft de Hoge Raad beslist dat de herleidingsmethode niet aansluit bij de wettelijk toegestane methoden tot het berekenen van de afschrijving van artikel 10 van de Wet Bpm. De Hoge Raad sloot zich daarbij aan bij de conclusie van de Advocaat-Generaal van 12 december 2023 [4] die alle gronden voor toepassing van de herleidingsmethode afwees. Deze beroepsgrond van belanghebbende faalt.
Waardevermindering wegens schade
4.7.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat onvoldoende rekening is gehouden met de schade.
4.8.
Omdat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende. Belanghebbende moet de omvang van de schade, en de invloed daarvan op de handelsinkoopwaarde, aannemelijk maken. De rechtbank merkt op dat zij géén expert is in de waardering van auto’s. De rechtbank is daarom in hoge mate afhankelijk van wat partijen aandragen, indien een geschil bestaat over de vraag of en zo ja in hoeverre er sprake is van schade.
4.9.
De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade moet worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van de auto en die passen bij de leeftijd en kilometrage van de auto. [5] Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat meer schade in aanmerking moet worden genomen dan de inspecteur heeft gedaan. De rechtbank weegt daarbij mee dat de auto uit 2015 is en 228.172 kilometer heeft gereden. Bovendien is reeds 81% van de geconstateerde schade als gebruiksschade meegenomen.
4.11.
Verder heeft belanghebbende de stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt, noch dat dergelijk beleid zou nopen tot het toepassen van een waardevermindering.
Hoogte van de naheffingsaanslag
4.12.
Voorgaande leidt tot de conclusie dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld.
Immateriëleschadevergoeding
4.13.
Belanghebbende heeft op 23 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.14.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 13 oktober 2021 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 23 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond twee jaar en drie maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.500. Omdat de bezwaarfase afgerond twee jaar en een maand heeft geduurd komt € 1.759,26 voor rekening van de inspecteur en € 740,74 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 2.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 907 en wegingsfactor 0,25 [6] , wat neerkomt op € 226,75. Tevens krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed omdat het verzoek om een immateriële schadevergoeding is gedaan vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [7] en de redelijke termijn op die datum al was verstreken. De inspecteur en de Staat moeten deze kosten (ieder voor 50%) vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.759,26;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 740,74;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 182,50 aan belanghebbende moet vergoeden;
- bepaalt dat de Staat het griffierecht van € 182,50 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 113,37 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 113,38 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan op 23 december 2025 door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [8]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
5.Artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet Bpm.
6.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
7.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
8.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.