De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 7 mei 2025 uitspraak gedaan in de beroepen van belanghebbende tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2014 tot en met 2017, inclusief bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen. De inspecteur had deze aanslagen opgelegd vanwege vermeende niet aangegeven inkomen uit aanmerkelijk belang, toegerekend aan belanghebbende op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001.
De rechtbank oordeelt dat de navorderingsaanslag en boetebeschikking over 2014 onterecht zijn opgelegd, omdat de inspecteur niet aan zijn bewijslast heeft voldaan. De navorderingsaanslagen en belastingrente over 2015 tot en met 2017 zijn terecht opgelegd, aangezien de winstuitdelingen aan de ex-partner van belanghebbende juist zijn vastgesteld en diens kwade trouw aan belanghebbende wordt toegerekend.
Ten aanzien van de vergrijpboeten stelt de rechtbank vast dat de inspecteur onvoldoende bewijs heeft geleverd dat belanghebbende zelf opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan. Hierdoor worden de boetebeschikkingen over de jaren 2015 tot en met 2017 vernietigd. Daarnaast kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €2.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedures. Ook wordt het griffierecht en een proceskostenvergoeding van €3.691,50 aan belanghebbende toegekend.