ECLI:NL:RBZWB:2024:7327
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering vergrijpboete belastingadviseur wegens doen plegen onjuiste aangiften trustvermogen
Belanghebbende, een belastingadviesvennootschap, kreeg een vergrijpboete opgelegd wegens medeplegen of doen plegen van onjuiste IB/PVV-aangiften door haar cliënten, vier zussen die erfgenamen zijn van een trustvermogen. De rechtbank handhaafde de toerekening van het trustvermogen aan de zussen, maar vernietigde hun boetes omdat zij niet als plegers konden worden aangemerkt. Medeplegen door belanghebbende werd uitgesloten, maar doen plegen werd vastgesteld vanwege voorwaardelijke opzet bij het onjuist adviseren om de trustvraag niet aan te kruisen.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet verantwoordelijk was voor het niet indienen van enkele aangiften door de zussen, waardoor dat deel van de boete werd verminderd. De adviezen van belanghebbende leidden ertoe dat onjuiste aangiften werden ingediend, wat zij bewust aanvaardde. Het beroep op een pleitbaar standpunt faalde omdat de feitelijke situatie niet overeenkwam met de trustdocumenten waarop belanghebbende zich beriep.
De opgelegde boete werd verminderd van €150.000 naar €60.000, en vervolgens tot €48.000 vanwege overschrijding van de redelijke termijn van ruim vijf jaar. Daarnaast kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding van €3.000 toe aan belanghebbende, die tevens proceskosten en griffierecht vergoed krijgt. De uitspraak bevestigt de aansprakelijkheid van belastingadviseurs voor onjuiste aangiften door cliënten indien sprake is van voorwaardelijke opzet.
Uitkomst: De vergrijpboete wordt verminderd tot €48.000 en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €3.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.