Belanghebbende werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen en vergrijpboeten voor de jaren 2013 tot en met 2016, naar aanleiding van zijn betrokkenheid bij verschillende buitenlandse vennootschappen. De inspecteur stelde dat belanghebbende feitelijk bestuurder en enig economisch aandeelhouder was van deze entiteiten en nam gebruikelijk loon in aanmerking. De rechtbank acht dit aannemelijk op basis van diverse onderzoeken en informatie uit het buitenland.
De rechtbank oordeelt dat de bewijslast omgekeerd en verzwaard is omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De correcties in box 1 en 2 worden als redelijke schattingen bevestigd, maar de correcties in box 3 worden onredelijk geacht en daarom naar nihil verminderd. De vergrijpboeten worden terecht opgelegd wegens opzet en strafverzwarende omstandigheden, maar gematigd tot 55% respectievelijk 60% vanwege de toepassing van omkering van bewijslast en overschrijding van de redelijke termijn.
Daarnaast kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe van €3.000 wegens de lange duur van de procedure. Ook worden proceskosten en griffierechten aan belanghebbende vergoed. De uitspraken op bezwaar worden vernietigd en de aanslagen en boetes dienovereenkomstig verminderd.