Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
mr. D.G. Barmentlo en mr. drs. A.G. Haasnoot, verbonden aan FT-advocaten te Amsterdam, en ter bijstand vergezeld van [bijstand] en [bijstand 2] , en namens de inspecteur,
[inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.
2.Feiten
3.Geschil
- Kwalificeren de gronden in [polder] als natuurterreinen in de zin van artikel 5.7, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)?
- Wat is de waarde van [polder] per peildatum 1 januari in de onderhavige jaren?
- Is ter zake van de heffing sprake van strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 1 EP Pro)?
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
- verklaart het (rechtstreeks) beroep gegrond;
- vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 140.148;
- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.518;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan hem vergoedt.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: