Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5662

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
ROT 25/3519
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.22 Wet brpArt. 2.43 Wet brpArt. 3:4 AwbArt. 1.1 Wet brp
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van rechtmatige uitschrijving uit de basisregistratie personen wegens langdurig verblijf in het buitenland

Eiser was ingeschreven op een adres in Schiedam, maar het college ontving een melding dat hij jaarlijks acht tot tien maanden in het buitenland verblijft. Na meerdere huisbezoeken waarbij eiser niet werd aangetroffen en verklaringen van medebewoners dat eiser in het buitenland verbleef, besloot het college hem per 4 december 2023 uit te schrijven uit de basisregistratie personen (brp).

Eiser maakte bezwaar en stelde dat hij wel bereikbaar was en contact had met het college, en dat hij geen intentie had zijn verblijfplaats permanent te wijzigen. De rechtbank oordeelde dat bereikbaarheid in dit kader betekent dat de ingeschrevene persoonlijk bereikbaar moet zijn op het inschrijfadres, wat niet het geval was. Het enkele feit dat eiser reageerde op het voornemen tot uitschrijving was onvoldoende.

Het college had na gedegen onderzoek geen gegevens kunnen achterhalen over het verblijf van eiser in Nederland, zijn vertrek of het volgende verblijf buiten Nederland. De rechtbank concludeerde dat het college terecht tot uitschrijving was overgegaan en dat het beroep ongegrond is. Eiser heeft geen recht op terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat het college terecht eiser heeft uitgeschreven uit de basisregistratie personen wegens langdurig verblijf in het buitenland en onvoldoende persoonlijke bereikbaarheid op het inschrijfadres.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3519

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] eiser

(gemachtigde: mr. F. Jagersma),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam, het college
(gemachtigden: [persoon A] en [persoon B] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van het college om hem uit te schrijven uit de basisregistratie personen (brp) op grond van artikel 2.22 van de Wet basisregistratie personen (Wet brp). Eiser is het niet eens met de uitschrijving. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiser terecht heeft uitgeschreven uit de brp
.

Procesverloop

2. Met een besluit van 10 december 2024 (het primaire besluit) heeft het college eiser uitgeschreven uit de brp. Met een besluit van 18 maart 2025 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser stond ingeschreven op het adres [adres] te Schiedam (het adres). Het college heeft op 4 december 2023 een terugmeldvoorziening [1] ontvangen van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) dat eiser jaarlijks acht tot tien maanden in het buitenland verblijft.
3.1.
Het college heeft op 12 december 2023 met eiser gesproken waarbij eiser heeft aangegeven dat het per jaar verschilt hoelang hij in het buitenland verblijft. Op 30 januari 2024 heeft het college een ingevulde woonverklaring van eiser ontvangen. Het interventieteam van het team Toezicht en Handhaving van de gemeente Schiedam (het interventieteam) heeft op 8 februari 2024 een huisbezoek afgelegd bij het adres van eiser. Eiser is niet aangetroffen, maar een medebewoner heeft verklaard dat eiser vijf maanden in het buitenland verblijft, vervolgens een paar dagen in Nederland en dan weer naar het buitenland vertrekt.
3.2.
Op 29 februari 2024 heeft eiser telefonisch contact gezocht met het college. Het college heeft eiser verzocht om bij de balie op het stadskantoor langs te komen. Op 20 augustus 2024 heeft het college telefonisch contact opgenomen met eiser. Het college heeft verzocht om bewijstukken, zoals vliegtickets en pinbetalingen. Op 10 september 2024 heeft eiser gespreksverslagen van de SVB aan het college toegezonden. Uit deze verslagen blijkt volgens het college dat eiser niet voldoet aan de eisen om in Nederland ingeschreven te zijn.
3.3.
Op 23 september 2024 heeft het interventieteam opnieuw een huisbezoek afgelegd. Eiser is niet aangetroffen, maar een medebewoner heeft verklaard dat eiser naar zijn idee in het buitenland verblijft.
3.4.
Het college heeft met het primaire besluit besloten om eiser per 4 december 2023 uit te schrijven uit de brp. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit. Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiser heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.

Beroep van eiser

4. Eiser voert aan dat het college ten onrechte tot uitschrijving uit de brp is overgegaan op de grondslag dat hij niet bereikbaar is. Hij kon wel bereikt worden en dit blijkt ook uit het procesdossier. Hij heeft te allen tijde contact gehad met het college en heeft ook gereageerd op het voornemen tot uitschrijving. Eiser betoogt verder dat hij nooit de intentie heeft gehad om zijn verblijfplaats permanent te wijzigen.

Wettelijk kader

5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het college eiser terecht per 4 december 2023 uit de brp heeft uitgeschreven. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
Procesbelang?
6.1.
Voordat de rechtbank overgaat tot de inhoudelijke beoordeling beoordeelt de rechtbank eerst of eiser nog belang heeft bij zijn procedure. Eiser heeft aangegeven dat hij per 30 juni 2025 naar Polen is verhuisd. Op de zitting heeft eiser aangevoerd dat hij als gevolg van de uitschrijving onder meer niet langer verzekerd was in het kader van de Zorgverzekeringswet. Hij heeft daardoor zijn eigen zorgkosten moeten voldoen. In dit kader zou hij schade hebben geleden. De rechtbank ziet hierin voldoende belang en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
Terechte uitschrijving?
6.2.
In artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp is bepaald wanneer iemand ambtshalve wordt uitgeschreven als ingezetene uit de brp. Daarvoor gelden drie voorwaarden: 1) de ingezetene kan niet worden bereikt, 2) van hem is geen aangifte van wijziging van adres of van vertrek ontvangen en 3) na gedegen onderzoek kunnen geen gegevens over hem worden achterhaald over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland.
6.3.
De rechtbank stelt voorop dat het in dit geschil vaststaat dat eiser geen aangifte heeft gedaan van wijziging van zijn adres of van vertrek en dat van hem geen gegevens zijn achterhaald over zijn verblijf elders in Nederland, het vertrek uit Nederland of het volgende verblijf buiten Nederland. Het draait in dit geschil om de vragen of is voldaan aan de voorwaarde of eiser bereikt kon worden en of het college na gedegen onderzoek geen gegeven over hem heeft achterhaald over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland.
6.4.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moeten de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn, zodat de gebruikers van de gegevens erop kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. [2] Met het oog daarop moeten in de brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene worden geregistreerd. Daarnaast houdt naar vaste rechtspraak van de Afdeling bereikbaarheid in de zin van artikel 2.22 van de Wet brp in dat een ingezetene bereikbaar is op het adres waar hij woont. [3] Deze voorwaarde houdt in dat de ingezetene daadwerkelijk woont, en om die reden in persoon bereikbaar is, op zijn in de brp geregistreerde woonadres. [4] Zoals volgt uit artikel 1.1, onder o, sub 1°, betekent wonen bestendig verblijven. Hierbij komt mede veel gewicht toe aan de plaats waar de betrokkene de meeste tijd overnacht. Onvoldoende voor deze voorwaarde is de enkele bereikbaarheid per telefoon, e-mail of op het brp-adres per post. [5] In artikel 2.43 van de Wet brp is verder bepaald dat als iemand naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste acht maanden buiten Nederland zal verblijven, hij zich moet laten uitschrijven uit de brp. Het gaat daarbij niet om acht maanden binnen hetzelfde kalenderjaar.
6.5.
De ambtshalve uitschrijving uit de brp op grond van artikel 2.22 van de Wet brp is een belastend besluit, waarbij het aan het college is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren die een dergelijke uitschrijving rechtvaardigen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet brp volgt dat niet lichtvaardig tot ambtshalve opschorting van de bijhouding van een persoonslijst (uitschrijving uit de brp) mag worden overgegaan, omdat dit voor de ingeschrevene grote gevolgen kan hebben zoals het stopzetten van uitkeringen en andere dienstverlening. Dit kan niet eerder plaatsvinden dan nadat een gedegen onderzoek geen nieuwe gegevens heeft opgeleverd over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland of het verblijf buiten Nederland van betrokkene. [6]
Kan de ingezetene worden bereikt?
6.6.
Voor zover eiser naar voren heeft gebracht dat eiser weldegelijk bereikt kon worden, kan de rechtbank eiser niet volgen. Het begrip ‘bereikbaar’ gaat over de vraag of de ingeschrevene in persoon bereikbaar is op het inschrijfadres. Het enkele feit dat eiser heeft gereageerd op het voornemen is daarom niet relevant. Dit zegt immers niets over waar hij feitelijk verbleef. Gebleken is dat het college huisbezoeken heeft verricht op 8 februari 2024 en 23 september 2024 en dat eiser die keren niet bereikbaar was op het adres. Bovendien is bij beide bezoeken door een medebewoner verklaard dat eiser naar zijn weten in het buitenland verblijft. Eiser heeft ook niet ontkend dat hij in het buitenland verbleef. Uit de door eiser overgelegde gespreksverslagen [7] blijkt dat eiser op 24 augustus 2023 telefonisch contact heeft gehad met medewerkers van de SVB. Uit het verslag blijkt dat eiser heeft verklaard één maand tot zes weken in Nederland te verblijven.
Heeft het college na onderzoek geen gegevens over eiser kunnen achterhalen?
6.7.
De rechtbank is van oordeel dat het college na gedegen onderzoek geen gegevens over eiser heeft kunnen achterhalen over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland. Het onderzoek is opgestart naar aanleiding van een melding van de SVB. Uit het onderzoek van de SVB is gebleken dat eiser het merendeel van het jaar in het buitenland verblijft. Uit het verslag van het telefoongesprek van eiser met de SVB op 23 augustus 2023, dat eiser in het geding heeft gebracht, blijkt dat eiser op dat moment in Portugal verbleef. Verder heeft hij, zoals volgt uit het verslag, verklaard dat hij gemiddeld twee maanden per jaar in Bangladesh verblijft, drie tot vier maanden in de Filepijnen, een maand tot zes weken in Nederland en de rest wisselend in Portugal, Italië of elders in Europa. Het college heeft verder bij herhaling contact gehad met eiser om te vragen naar de hoofdverblijfplaats van eiser. Eiser heeft weliswaar op 30 januari 2024 schriftelijk verklaard dat hij nog woont op het adres van inschrijving. Maar het college heeft tweemaal een huisbezoek verricht en eiser niet aangetroffen. Beide keren heeft een medebewoner verklaard dat eiser in het buitenland verblijft. Ook heeft het college op 29 februari 2024 eiser verzocht langs te komen. Hier heeft eiser geen gehoor aan gegeven. Op 20 augustus 2024 heeft het college eiser gevraagd bewijsstukken toe te sturen zoals pinbetalingen en vliegtickets. Ook hieraan heeft eiser geen gehoor gegeven. Eiser heeft tijdens het onderzoek van het college en in de bezwaarprocedure evenmin duidelijk gemaakt waar hij verbleef ten tijde van het onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college na gedegen onderzoek mogen concluderen dat er geen gegevens van eiser zijn te achterhalen over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland.
6.8.
Op grond van het bovenstaande is naar het oordeel voldaan aan de eisen van artikel 2.22 van de Wet brp en diende het college over te gaan tot uitschrijving van eiser uit de brp. Voor zover eiseres heeft bedoeld een beroep te doen op het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, slaagt dit niet. Omdat het gaat om een wet in formele zin is het in beginsel niet mogelijk om met toepassing van het evenredigheidsbeginsel van artikel 2.22 van de Wet brp af te wijken. Dat zou alleen anders kunnen zijn als er sprake is van bijzondere omstandigheden die niet (ten volle) zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dergelijke omstandigheden heeft eiser niet aangevoerd. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij zelf zijn kosten voor medische zorg diende te betalen is dit geen bijzondere omstandigheid waarover de wetgever niet heeft nagedacht. De wetgever heeft bewust onderkend en aanvaard dat in een situatie zoals die waarin eiser verkeerde, namelijk het als gevolg van het ontbreken van een adresgegeven in de brp geregistreerd zijn als "vertrokken uit Nederland", in beginsel tot gevolg heeft dat uitkeringen en andere vormen van dienstverlening ten behoeve van de betrokkene stop worden gezet. [8]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college eiser terecht heeft uitgeschreven uit de brp. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Wet basisregistratie personen
Artikel 1.1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
o. het woonadres:1° het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;
(…)
Artikel 2.22
1. Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland.
2. Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek is bekendgemaakt.
Artikel 2.43
1. De ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, doet bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek.
2. De ingezetene doet in die aangifte mededeling van de gegevens over zijn vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland.
(…)
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent bijzondere gevallen waarin het eerste lid niet van toepassing is.

Voetnoten

1.De Terugmeldvoorziening is een geautomatiseerd systeem voor het melden van vermoedelijke fouten in de Basisregistratie Personen.
2.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:21 en de uitspraak van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1057.
3.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2270.
4.Zie in dat verband de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1592.
5.Zie de uitspraken van de Afdeling van 13 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:59, van 16 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:764 en van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1716.
6.Zie
7.Eiser heeft de gespreksverslagen met de SVB in het kader van het onderzoek aan het college overgelegd en het college heeft de gespreksverslagen in beroep overgelegd aan de rechtbank.
8.Zie