Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[handelsnaam],
1.De samenvatting
2.De procedure
- het verzoekschrift van werkneemster, ontvangen op 21 november 2025, met bijlagen;
- de brief van werkneemster van 2 februari 2026, met een bijlage;
- de e-mail van werkgever van 13 februari 2026, met een bijlage.
3.Waar de zaak over gaat
4.De beoordeling
“Wij hebben daarom het dienstverband met ingang van 27 juli 2025 beëindigd. U ontvangt van ons een eindafrekening en transitievergoeding”), in combinatie met het feit dat er een eindafrekening is opgemaakt en uitbetaald, waaronder een transitievergoeding. Werkneemster heeft de brief van 21 augustus 2025 als een opzegging begrepen en ook zo mogen begrijpen. Dat werkgever in de brief van 21 augustus 2025 schrijft dat het UWV toestemming heeft gegeven voor het ontslag, terwijl dat niet zo was, is in dit verband niet van belang.
onafgebrokensinds 1976 voor Jamin heeft gewerkt blijkt niet uit haar verklaring. Op de zitting bleek dat het UWV wat het arbeidsverleden van werkneemster betreft niet beschikt over informatie die haar stelling over een ononderbroken dienstverband ondersteunt.
5.De beslissing
uiterlijk op 16 maart 2026bij akte uit te laten over het voornemen onder 4.11 om aan de Hoge Raad een prejudiciële vraag te stellen en over de inhoud van de te stellen vraag (per e-mail naar: kantonverzoek.rotterdam@rechtspraak.nl);
15 april 2026per e-mail op bovengenoemd adres kan laten weten of, en zo ja, hoe zij het bewijs wil leveren;