Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Zaandam,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
21 mei 2021.
Hoge Raad
De werknemer trad in 2007 in dienst bij PontMeyer en werd op 26 oktober 2018 op staande voet ontslagen. Hij diende een verzoekschrift tot vernietiging van het ontslag in, dat door de rechtbank op 25 december 2018 om 00:05 uur werd ontvangen. PontMeyer stelde dat dit verzoek te laat was ingediend, na de termijn van twee maanden zoals bedoeld in art. 7:686a lid 4 BW.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer ontvankelijk was, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk omdat het verzoek te laat was ontvangen. De Hoge Raad stelde vast dat de termijn van twee maanden begint te lopen op de dag na het einde van het dienstverband en eindigt aan het einde van de dag met hetzelfde nummer twee maanden later, in dit geval 26 december 2018.
Omdat het verzoekschrift vóór het einde van die dag door de rechtbank was ontvangen, oordeelde de Hoge Raad dat het verzoek tijdig was ingediend. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling. Tevens werd PontMeyer veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart het verzoek tot nietigverklaring van het ontslag op staande voet tijdig ingediend.