ECLI:NL:RBROT:2026:1852

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
11874959 VZ VERZ 25-5999
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:682 lid 1 sub c BWArt. 7:625 BWArt. 7:629 BWArt. 7:634 lid 1 BWArt. 7:660 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing billijke vergoeding na opzegging arbeidsovereenkomst wegens ziekte

Een werkneemster verzocht de kantonrechter om een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van haar werkgever bij de opzegging van haar arbeidsovereenkomst na langdurige ziekte. Zij stelde dat de werkgever afspraken had verzwaard, onveilige werklocaties had aangepast, en druk uitoefende met loonsancties, waardoor haar herstel werd belemmerd.

De werkgever voerde aan dat zij steeds het advies van de bedrijfsarts had gevolgd en dat het voortduren van de arbeidsongeschiktheid niet aan haar was toe te rekenen. De kantonrechter oordeelde dat hoewel enkele gedragingen van de werkgever onhandig waren, deze niet de hoge drempel van ernstig verwijtbaar handelen haalden. De loonstop die de werkgever toepaste was terecht, waardoor geen wettelijke verhoging verschuldigd was.

Verder werd het verzoek afgewezen om vakantie-uren uit te betalen over de periode na 104 weken ziekte, omdat in die periode sprake was van een slapend dienstverband zonder loondoorbetalingsplicht. De kantonrechter volgde de jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad dat in zo’n situatie geen recht op opbouw van vakantie-uren bestaat.

De verzoekster werd veroordeeld in de proceskosten van de werkgever. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Verzoek om billijke vergoeding en betaling van vakantie-uren wordt afgewezen; loonstop was terecht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11874959 VZ VERZ 25-5999
datum uitspraak: 24 februari 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekster],
woonplaats: Rotterdam,
verzoekster,
gemachtigde: mr. D.M. Lai,
tegen
RBC IMV B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
verweerster,
gemachtigde: mr. E. Wilke.
De partijen worden hierna ‘[verzoekster]’ en ‘RBC’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van [verzoekster] (ontvangen op 9 september 2025), met bijlagen;
  • het verweerschrift van RBC (ontvangen op 23 januari 2026), met bijlagen;
  • de e-mail van 30 januari 2026 van [verzoekster], met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van (de gemachtigde van) [verzoekster].
1.2.
Op 3 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
  • [verzoekster] met haar echtgenoot en haar gemachtigde;
  • namens RBC, [naam 1] (senior HR-adviseur) en [naam 2] (CFO), met de gemachtigde van RBC.

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[verzoekster] werkte sinds 25 februari 2015 bij (een onderdeel van) RBC, laatstelijk als financieel administratief medewerker met een salaris van € 2.423,04 bruto per vier weken (exclusief emolumenten). Op 20 maart 2023 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld. Op 11 april 2025 heeft het UWV aan RBC toestemming gegeven om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen. Met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn heeft RBC de arbeidsovereenkomst opgezegd per 10 juli 2025.
2.2.
[verzoekster] verzoekt in deze procedure om een billijke vergoeding, omdat de opzegging volgens haar het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van RBC. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat er een causaal verband is tussen het ernstig verwijtbaar handelen van RBC en het voortduren van haar arbeidsongeschiktheid. [verzoekster] verwijt RBC – kort gezegd – dat afspraken werden vervroegd of verzwaard, locaties werden aangepast naar voor [verzoekster] onveilige plekken, telefonische contactadviezen werden ondermijnd, consulten fysiek werden gemaakt of werden verplaatst, dat sprake was van druk en dreiging met loonsancties ondanks medische waarschuwingen, dat afmeldingen met medische redenen leidden tot waarschuwingen en loonsancties en dat al snel de focus is verschoven van re-integratie naar afscheid. Door deze handelingen heeft RBC niet alleen haar re-integratieverplichtingen ernstig veronachtzaamd, maar ook het herstelproces actief ondermijnd, waardoor zij langer en ernstiger ziek was dan nodig was geweest, aldus [verzoekster].
2.3.
Daarnaast verzoekt [verzoekster] dat RBC wordt veroordeeld om aan haar te betalen de verlofuren over de periode na 104 weken ziekte tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd (te weten de periode van 17 maart 2025 tot 10 juli 2025) en de wettelijke verhoging van 30% over periode 8, 9 en 10 in 2024 vanwege de loonstop die RBC heeft toegepast en later heeft teruggedraaid, vermeerderd met de wettelijke rente en onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie op straffe van een dwangsom. Tot slot eist [verzoekster] nog een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
2.4.
RBC is het met de verzoeken van [verzoekster] niet eens. Volgens RBC is geen sprake van verwijtbaar handelen door RBC, laat staan ernstig verwijtbaar handelen. Zij stelt zich op het standpunt dat het voortduren van de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] wordt veroorzaakt door factoren die niet aan RBC kunnen worden toegerekend en alle handelingen van RBC gericht op re-integratie redelijk en conform advies van de bedrijfsarts waren. Ten aanzien van de verlofuren die [verzoekster] eist, voert RBC aan dat [verzoekster] haar klachtplicht heeft geschonden en dat sprake is van rechtsverwerking. RBC vindt verder dat zij de wettelijke verhoging niet verschuldigd is, omdat zij een goede reden had om een loonstop toe te passen.
De uitkomst
2.5.
De verzoeken van [verzoekster] worden afgewezen. De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door RBC en dat [verzoekster] dus geen recht heeft op een billijke vergoeding. Verder heeft [verzoekster] geen recht op (uitbetaling van) verlofuren tijdens haar slapende dienstverband over de periode vanaf de 104 weken ziekte tot de rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De (tweede) loonstop van RBC was naar het oordeel van de kantonrechter terecht door RBC toegepast, waardoor [verzoekster] geen aanspraak kan maken op de wettelijke verhoging over het loon dat te laat is betaald. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.
RBC heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld
2.6.
Aan een werknemer van wie, zoals in dit geval, de arbeidsovereenkomst met toestemming van het UWV is opgezegd, kan de kantonrechter ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen als de opzegging wegens de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:682 lid 1 sub c BW Pro). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het ernstige verwijt het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid kan betreffen maar ook kan zien op het ernstig veronachtzamen van de op de werkgever rustende re-integratieverplichtingen. Voor het toekennen van een billijke vergoeding op deze grondslag geldt een hoge drempel en daarvoor bestaat alleen aanleiding in uitzonderlijke gevallen. Het is daarbij aan de werknemer om aan te tonen dat daarvan in dit geval sprake is.
2.7.
Dat bepaalde gedragingen en keuzes van RBC niet zorgvuldig en wellicht onhandig waren in de situatie van [verzoekster] kan haar worden toegegeven. Zo was het vanuit RBC niet verstandig om de naam van [verzoekster] niet te vermelden in de vacature die na haar ziekmelding werd geplaatst. De kantonrechter kan zich voorstellen dat [verzoekster] hierdoor het gevoel kreeg dat zij buitengesloten werd, terwijl zij pas net ziek thuis zat. Het was voor haar mogelijk een signaal dat haar positie bij het bedrijf al in twijfel werd getrokken, terwijl zij zich nog in de beginfase van haar ziekte bevond.
2.8.
Daarnaast heeft RBC [verzoekster] in augustus 2023 twee keer uitgenodigd voor een gesprek bij de bedrijfsarts op de locatie van RBC, nadat [verzoekster] duidelijk had aangegeven dat zij dat niet zou aankunnen. Toen [verzoekster] vervolgens niet op deze gesprekken verscheen, leidde dit tot een inhouding op het loon en de doorbelasting van de no-show kosten. Hoewel de bedrijfsarts niet expliciet iets heeft gezegd over de locatie waar de gesprekken moesten plaatsvinden, had RBC in de gegeven situatie meer rekening kunnen houden met de situatie van [verzoekster] en haar wensen. Uiteindelijk heeft RBC dit wel gedaan. Na deze twee mislukte afspraken heeft RBC er voor gezorgd dat de gesprekken bij de bedrijfsarts op een andere locatie konden plaatsvinden.
2.9.
Op 23 oktober 2023 heeft de bedrijfsarts geadviseerd om [verzoekster] het zogenoemde ‘WPEX-traject’ te laten volgen. [verzoekster] heeft de intake voor dit traject uiteindelijk afgezegd zonder een nieuwe afspraak te maken, omdat zij slechte verhalen over WPEX heeft gehoord en voor haar onduidelijk was het doel was van dit traject. Omdat [verzoekster] weigerde hieraan mee te werken, volgde een loonstop, die achteraf bezien door de voorzieningenrechter als onterecht werd beoordeeld [1] . De oorzaak van de onduidelijkheid over dit traject lag vooral in de wisselende informatie die door de bedrijfsarts werd verstrekt. RBC was ervan uitgegaan dat het extern onderzoek bedoeld was voor de beoordeling van de belastbaarheid van [verzoekster], maar kort voor de zitting in kort geding gaf de bedrijfsarts een andere verklaring. Dit komt voor rekening en risico van RBC..
2.10.
Het hiervoor beschreven handelen valt RBC wel te verwijten, maar niet zodanig dat het de hoge lat voor "ernstige verwijtbaarheid" haalt. Dat RBC zich niet heeft ingespannen voor de re-integratie van [verzoekster] en al vanaf het begin af aan gericht was op het nemen van afscheid, is de kantonrechter niet gebleken. RBC heeft voor het overige steeds het advies van de bedrijfsarts opgevolgd en heeft de nodige stappen gezet om de ziekte van [verzoekster] te beoordelen. [verzoekster] zegt weliswaar dat de bedrijfsarts al op 12 juni 2023 mondeling zou hebben gezegd dat de contactmomenten telefonisch moesten plaatsvinden, maar dat staat niet in het rapport van de bedrijfsarts. Vanaf het moment dat het wél expliciet in het rapport van de bedrijfsarts stond, heeft RBC zich daar ook aan gehouden en de contactmomenten telefonisch laten plaatsvinden.
2.11.
Dat de klachten van [verzoekster] niet zijn verminderd en mogelijk zelfs zijn toegenomen is heel vervelend voor [verzoekster], maar kan niet aan RBC worden toegerekend. De bedrijfsarts is juist ingeschakeld om een objectief oordeel te geven over de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] en om adviezen te verstrekken over wat zij wel of niet kan doen. Van RBC kan niet worden verwacht dat zij op eigen initiatief afwijkt van de adviezen van de bedrijfsarts, omdat [verzoekster] zelf een ander standpunt had over haar situatie. In die situatie ligt het op de weg van de werkneemster om een deskundigenoordeel bij het UWV te vragen. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat factoren in de privésfeer van [verzoekster] hebben bijgedragen aan het veroorzaken, in stand blijven of toenemen van haar klachten.
2.12.
Omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door RBC, wordt de billijke vergoeding, waaronder het gevraagde bedrag van € 50.000,- netto aan immateriële schade, afgewezen.
De loonstop was terecht: RBC hoeft geen wettelijke verhoging te betalen
2.13.
Op 30 juli 2024 heeft RBC wederom een loonstop toegepast. Dit keer omdat [verzoekster] weigerde mee te werken aan een onderzoek bij PrioCura. Uiteindelijk heeft RBC een alternatief bureau ingeschakeld, namelijk Ergatis. Vanaf het moment dat [verzoekster] zich bij Ergatis heeft gemeld, is de loonstop beëindigd. RBC heeft uiteindelijk het loon dat was ingehouden alsnog aan [verzoekster] betaald, omdat – zo stelt zij – zij een nieuwe juridische procedure wilde voorkomen. RBC heeft zich wel steeds op het standpunt gesteld dat de loonstop terecht was.
2.14.
Omdat RBC het loon dus te laat aan [verzoekster] heeft betaald, verzoekt [verzoekster] dat RBC wordt veroordeeld om de wettelijke verhoging over dat loon te betalen. Op grond van artikel 7:625 BW Pro heeft een werknemer recht op verhoging wegens vertraging zoals in dat artikel omschreven als het niet-voldoen aan de werkgever is toe te rekenen. Of het niet tijdig voldoen van het loon in deze zaak aan RBC is toe te rekenen, hangt af van het antwoord op de vraag of de loonstop die RBC had toegepast terecht was. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend.
2.15.
In artikel 7:629 BW Pro is bepaald wanneer de werkgever het recht heeft de betaling van het loon stop te zetten. Dat is onder meer het geval als de zieke werknemer zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan zijn re-integratie. In artikel 7:660 sub a BW Pro staat dat de werknemer verplicht is gevolg te geven aan redelijke voorschriften en mee te werken aan maatregelen die erop zijn gericht hem zijn eigen of passende arbeid te laten verrichten. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] zonder deugdelijke grond geweigerd heeft mee te werken aan een redelijk voorschrift van RBC.
2.16.
In juli 2024 heeft de (nieuwe) bedrijfsarts namelijk geadviseerd om een expertise met belastbaarheidsonderzoek bij PrioCura te verrichten. RBC heeft dit advies opgevolgd en [verzoekster] uitgenodigd voor dat onderzoek. [verzoekster] weigerde echter aan dit onderzoek mee te werken, omdat zij PrioCura niet vertrouwde. Een reden voor dit wantrouwen heeft zij niet aan RBC gegeven. Pas tijdens de zitting heeft [verzoekster] laten weten dat zij PrioCura niet vertrouwde, omdat RBC PrioCura al vóór het advies van de bedrijfsarts had voorgesteld. RBC heeft uitgelegd dat zij de bedrijfsarts maandelijks spreekt en het mogelijk is dat PrioCura al genoemd is voordat het advies werd gegeven en RBC daarom al PrioCura had voorgesteld, nog voordat de bedrijfsarts dat had geadviseerd. Onduidelijk is waarom dit zou moeten leiden tot het gevoel dat PrioCura niet betrouwbaar zou zijn. Los daarvan geldt dat als [verzoekster] gegronde redenen had voor het wantrouwen in PrioCura, van haar verwacht mocht worden dat zij dit kenbaar maakt aan RBC. Dit heeft zij niet, althans te laat, gedaan. RBC is dan ook terecht over gegaan tot een loonstop. Dit betekent dat RBC het loon ook niet te laat (in de zin van artikel 7:625 BW Pro) heeft betaald en dus ook geen wettelijke verhoging verschuldigd is.
[verzoekster] heeft geen vakantie-uren opgebouwd na 104 weken ziekte
2.17.
[verzoekster] verzoekt ook betaling van opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren van in totaal € 1.031,- bruto. Volgens haar zijn die vakantie-uren opgebouwd vanaf 17 maart 2025 (na 104 weken ziekte) tot 10 juli 2026 (einde arbeidsovereenkomst). In die periode was sprake van een slapend dienstverband. In artikel 7:634 lid 1 BW Pro is bepaald dat alleen vakantie wordt opgebouwd over de periode waarin de werknemer recht heeft op loon. Dat was voor [verzoekster] dus tot 17 maart 2025. Na de 104 weken had RBC immers geen loondoorbetalingsplicht meer. [verzoekster] stelt zich echter op het standpunt dat artikel 7:634 lid 1 BW Pro buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat deze bepaling volgens haar in strijd is met het Europese recht, namelijk met artikel 7 lid 1 van Pro Richtlijn 2003/88/EG en artikel 31 lid 2 EU Pro-Handvest.
2.18.
Nog daargelaten of [verzoekster] in dit verband haar klachtplicht heeft geschonden – zoals RBC heeft aangevoerd – is de kantonrechter van oordeel dat [verzoekster] geen recht heeft op (uitbetaling van) vakantie-uren na 104 weken ziekte. Dat wordt hierna uitgelegd.
2.19.
Artikel 31 lid 2 EU Pro-Handvest bepaalt dat iedere werknemer recht heeft op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in Richtlijn 2003/88/EG. Uit het Max
-Planck arrest van het Europees Hof van Justitie (HvJ EU) blijkt dat een nationale regeling buiten toepassing moet worden gelaten door de nationale rechter, als deze bepaling in strijd is met artikel 31 lid 2 EU Pro-Handvest. [2] In ditzelfde arrest oordeelde het HvJ EU dat artikel 31 lid 2 EU Pro-Handvest kan worden ingeroepen in een geschil tussen particulieren, zoals een werkgever en een werknemer. Maar dan moet er wel sprake zijn van strijdigheid met het EU-Handvest. Uit de uitspraak van 15 juli 2025 [3] van het HvJ EU volgt dat er
specifieke omstandigheden kunnen zijndie een afwijking van het fundamentele recht op (jaarlijks betaald) verlof rechtvaardigen. De kantonrechter is van oordeel dat van zulke omstandigheden sprake is in geval van een slapend dienstverband naar Nederlands recht, om de volgende redenen.
2.20.
Kenmerkend voor een slapend dienstverband is dat de kernverbintenissen van de arbeidsovereenkomst, te weten het verrichten van arbeid en het betalen van loon, niet meer kunnen en hoeven te worden nageleefd. Hoewel de overeenkomst in feite inhoudsloos is geworden, heeft de (nationale) wetgever er niet voor gekozen om de overeenkomst in zo’n geval van rechtswege te beëindigen. Na afloop van de 104 weken waarin loon is doorbetaald en de werkneemster volledige vakantiedagen heeft opgebouwd, heeft de werkneemster – als de arbeidsovereenkomst nog niet is beëindigd – geen re-integratieverplichtingen meer. Daarmee verliest de recuperatiefunctie van de jaarlijkse vakantie zijn doel. Vakantiedagen zijn immers bedoeld om werknemers in staat te stellen om uit te rusten en te herstellen van werk en weer op krachten te komen. De werkneemster met een slapend dienstverband heeft geen werk om van te herstellen: zij heeft immers geen verplichting om arbeid te verrichten en geen verplichting tot re-integratie. Dat recuperatie bij langdurig zieke werknemers die geen verplichting meer hebben tot re-integratie niet aan de orde is, volgt ook uit het
Daf-arrest van de Hoge Raad. [4] De door het HvJ EU geformuleerde doelen (bijkomen door rust, ontspanning en vrije tijd) kunnen dus niet meer worden behaald.
2.21.
Dat het vakantieloon bedoeld is om werknemers tijdens hun vakantie in een economisch vergelijkbare positie te brengen, zoals het HvJ EU herhaaldelijk heeft geoordeeld, speelt evenmin bij een slapend dienstverband. Een zieke werknemer die niet in staat is te werken zal na 104 weken in de regel recht hebben op een uitkering. Als de werknemer een WIA- of WW-uitkering ontvangt, dan mag hij met behoud van uitkering ook vakantie genieten. Tijdens vakanties loopt die uitkering immers door. Er is in onze nationale regelgeving dus een andere voorziening die ook voorziet in betaalde vakantie voor de werknemer met een slapend dienstverband. Als de werknemer in dezelfde periode ook nog betaalde vakantiedagen zou opbouwen, dan is dat dus dubbelop.
2.22.
Gelet op dit alles kan niet worden gezegd dat artikel 7:634 lid 1 BW Pro strijdig is met artikel 31 lid 2 EU Pro-Handvest. Dat betekent dat [verzoekster] na 17 maart 2025 geen vakantie-uren meer heeft opgebouwd.
Afwijzing overige verzoeken
2.23.
Omdat RBC niets meer aan [verzoekster] hoeft te betalen, is zij ook niet gehouden een bruto/netto-specificatie aan [verzoekster] te verstrekken. Dat verzoek wordt afgewezen. Ook het verzoek om betaling van de wettelijke rente wordt om die reden afgewezen. Omdat alle verzoeken worden afgewezen is er evenmin reden voor toewijzing van een vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten die [verzoekster] stelt te hebben gemaakt. Dat verzoek wordt ook afgewezen.
[verzoekster] moet de proceskosten betalen
2.24.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster], omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verzoekster] aan RBC moet betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.25.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de verzoeken van [verzoekster] af;
3.2.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, die aan de kant van RBC worden begroot op € 1.009,-;
3.3.
verklaart deze beschikking – voor wat betreft de proceskosten – uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
37555

Voetnoten

1.Kantonrechter Rotterdam 6 maart 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:1955
2.HvJ EU 6 november 2018, ECLI:EU:C:2018:374 (Max-Planck), punt 75.
3.HvJ EU 15 juli 2025, ECLI:NL:EU:C:2025:586.
4.HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1603, r.o. 3.2.4