Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit Rotterdam, eiseres
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister
Samenvatting
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
“Ik heb voornamelijk [naam 3] aan de lijn gehad. [naam 3] is mijn contactpersoon voornamelijk geweest.”
“Ik denk dat je toch nog een paar getuigen moet oproepen. Dat je [naam 3] moet laten komen. Ik weet er maar een beetje van. Het hele traject heeft [naam 3] vanaf het begin opgepakt. Hij heeft het vooraf besproken. (…) Maar nogmaals laat [naam 3] komen. Ik vind het sowieso raar dat [naam 3] in lead bij dit verhaal is en dat hij nog niet gehoord is. Zeker over het beginstukje van de gemeente, dat is gezegd van joh, laat jij inventariseren, dat is zeker iets nieuws dat ik vandaag hoor. (…)Ja. Maar daarvoor vind ik het toch nog wel even belangrijk dat je [naam 5] uitnodig en toevoegt op dit dossier. Want die is daar ook, jongens ouwe krentenbrood.”
“Wat zei [naam 3] precies tegen u, voordat u begon?”
“Zeg maar niets meer [naam 3]. Anders wil ik mijn milieu-advocaat erbij hebben.” De rechtbank concludeert dat het besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. [2]
Vervolgens ben ik naar kantoor gegaan van [eiseres] en ik heb daar met [naam 3] en de eigenaar zelf gesproken, meneer Van Leeuwen. Ik zeg dat schip dat moet gesloopt worden. Daar geven wij jullie opdracht toe. Dus hoe nu verder? Nou, toen werd er al gauw gezegd van ja het zou kunnen dat... o nee, toen werd er gevraagd zit er asbest in? Ik zeg dat weet ik niet, geen idee. Ik had zoiets ook nog nooit eerder aan
Bij die eerste keer, is toen ook gesproken over asbest? A: Ja, niet van mij uit, maar van hun uit. Want toen dacht ik van nou okay, dat kan een risico zijn, dus doe maar, onderzoek maar.”
Eiseres heeft niet onderbouwd dat [naam 4], anders dan wat hij ten overstaan van de arbeidsinspecteur heeft verklaard, een mededeling heeft gedaan dat het schip asbestvrij zou zijn. Daarbij komt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres ook al zou zo’n mededeling zijn gedaan, zelf nader onderzoek had moeten doen. De minister heeft in dit verband kunnen overwegen dat een mondelinge mededeling niet gelijk is te stellen aan een inventarisatierapport waaruit objectief en aantoonbaar blijkt dat er al dan niet asbest in het bouwwerk aanwezig is. Door daar niet naar te vragen of zelf onderzoek te doen voor aanvang van de werkzaamheden heeft eiseres niet alles gedaan om de overtredingen te voorkomen en heeft zij niet voldaan aan haar zorgplicht voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers als bedoeld in artikel 3 van Pro de Arbowet. De regelgeving omtrent asbest is gericht op risicominimalisatie. Daarnaast is eiseres een recyclingbedrijf en mag van eiseres worden verwacht dat zij op de hoogte is van de mogelijkheid van asbest bij het recyclen van een oud schip. Uit het feit dat een vertegenwoordiger van eiseres vooraf aan [naam 4] heeft gevraagd of er asbest in het schip zit blijkt dat eiseres met die mogelijkheid rekening hield. Gelet op het voorgaande heeft de minister in de beweerdelijke mededeling van [naam 4] terecht geen aanleiding gezien voor het ontbreken van verwijtbaarheid of verminderde verwijtbaarheid.
“Zoals ik al eerder besproken heb met u dat bij het kookgedeelte en kachel asbest is geconstateerd, blijkt nu ook andere gedeeltes volop asbest is geconstateerd.”In een e-mail van 24 juni 2022 schrijft [naam 3] aan de inspecteur:
“Het schip is op de wal geplaatst en [eiseres] heeft een begin gemaakt met het wegknippen van de kop van het schip. Daar werd verdacht materiaal ontdekt en heeft dat per telefoon aan de gemeente Rotterdam gemeld.”De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat op 7 maart de aanwezigheid van asbest door eiseres is gemeld en dat dit is gedaan na het wegknippen van de kop van het schip. Vervolgens is ook in ‘andere gedeeltes’ van het schip asbest aangetroffen. De minister heeft ten aanzien van overtreding 1 als pleegperiode opgegeven “vermoedelijk op 9 maart 2022, in elk geval in de periode tussen 2 maart 2022 en 29 maart 2022. Die periode is voldoende bepaald, in elk geval staat vast dat het wegknippen van de kop tussen 2 en 9 maart heeft plaatsgevonden.
Door niet in het bezit te zijn van een certificaat en toch die werkzaamheden uit te voeren, wordt die norm geschonden. Daarmee staat vast dat eiseres deze overtreding heeft begaan.
Conclusie en gevolgen
Omdat de rechtbank het boetebedrag verlaagt, wordt het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het primaire besluit in zoverre herroepen. De rechtbank neemt deze beslissing met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is dus gegrond.
Beslissing
- stelt de hoogte van de aan eiseres opgelegde boete vast op € 33.345,-;