Eiser was werkzaam op een Rijnvaartschip en stond op de loonlijst van een Luxemburgse vennootschap die premies afdroeg in Luxemburg. Eiser verzocht verweerder om een regularisatieovereenkomst te sluiten met Luxemburgse autoriteiten voor de jaren 2007 en 2010, wat werd afgewezen. Verweerder handhaafde dit besluit en beriep zich op lopende fiscale procedures en discretionaire bevoegdheid.
De rechtbank oordeelde dat verweerder het verzoek voor de periode na 1 mei 2010 had moeten doorzenden aan de Luxemburgse autoriteiten, omdat hij niet bevoegd was zelf te beslissen. Voor de periode 2007 en tot 30 april 2010 was het standpunt van verweerder om de fiscale procedures af te wachten niet onredelijk. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van €1.500,-, waarvan verweerder en de Staat een deel moeten betalen.
De rechtbank vernietigde het besluit voor de periode na 1 mei 2010, veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten, en bepaalde dat het beroep voor het overige ongegrond is. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 20 februari 2018.