ECLI:NL:RBROT:2011:BP7940
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vergoeding onder depositogarantiestelsel bij gezamenlijke en individuele rekeningen
Eisers, een echtpaar, maakten bezwaar tegen de door De Nederlandsche Bank (DNB) toegekende vergoeding onder het depositogarantiestelsel na het faillissement van DSB Bank. De vrouw ontving circa €50.000,- terwijl de man het maximum van €100.000,- kreeg, vanwege het bestaan van een individuele rekening en een gezamenlijke en/of-rekening.
De rechtbank oordeelde dat DNB de artikelen 19 en 26 van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft (Bbpm) correct heeft toegepast. De vrouw kon zich niet beroepen op onjuiste voorlichting door DSB, omdat vorderingen uit onrechtmatige daad niet onder het vangnet vallen. De man had geen rechtstreeks belang bij het besluit aan de vrouw, waardoor zijn bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank verwierp het beroep van de vrouw dat zij aanspraak had op het volledige maximumbedrag voor de gezamenlijke rekening, omdat er geen contractuele vastlegging was die afweek van de hoofdregel van evenredige verdeling. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en aansprakelijkheid van DNB wegens falend toezicht faalden. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep van eisers ongegrond en bevestigt de juiste toepassing van het Bbpm door DNB.