ECLI:NL:CBB:2012:BX9970
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- E.R. Eggeraat
- M. van Duuren
- G.P. Kleijn
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit DNB over vergoeding depositogarantiestelsel na faillissement DSB Bank
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake de vergoeding uit het depositogarantiestelsel na het faillissement van DSB Bank. De heer B en mevrouw A-B hadden respectievelijk een rekening met een saldo van €99.300,24 en een gezamenlijke rekening met €100.715,57. DNB kende de heer B een vergoeding van €100.000 toe en mevrouw A €50.357,78, waarop appellanten bezwaar maakten.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van de heer B niet-ontvankelijk en dat van mevrouw A ongegrond, omdat DNB het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen (Bbpm) correct had toegepast. De rechtbank oordeelde dat de tenaamstelling van de rekeningen bepalend is en dat het huwelijk in gemeenschap van goederen geen medegerechtigdheid op de rekening van de heer B oplevert. Ook ontbrak een contractuele bepaling voor een afwijkende verdeling van de gezamenlijke rekening.
In hoger beroep hebben appellanten geen nieuwe gronden aangevoerd, maar wel een verzoek tot smartengeld toegevoegd. Het College onderschrijft het oordeel van de rechtbank en wijst het verzoek af, omdat geen sprake is van een gegrond beroep en geen immateriële schade is aangetoond. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bevestigd.