Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2739

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
ak_25_1567
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid vastgesteld door UWV

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem vanaf 10 april 2024 geen WIA-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%.

De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek beoordeeld, waarbij de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 26 april 2024 als uitgangspunt is genomen. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hebben overtuigend toegelicht dat eiser met zijn beperkingen in staat is vier geselecteerde functies te vervullen, met een urenbeperking van maximaal 6 uur per dag en 24 uur per week.

Eiser voerde aan dat zijn beperkingen zwaarder zijn dan vastgesteld, onder meer door cognitieve beperkingen en verminderde belastbaarheid, maar deze stellingen zijn niet met voldoende medische informatie onderbouwd. Ook is geen sprake van een medische afzakker, omdat vermindering van werkuren niet medisch onderbouwd is.

De rechtbank concludeert dat het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage terecht heeft vastgesteld op 16,35%, waardoor eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 10 april 2024. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser is ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht geen WIA-uitkering toegekend vanaf 10 april 2024.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1567

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna: [eiser])

gemachtigde: mr. J.H. Spijk,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder(hierna: het UWV)
gemachtigde: [gemachtigde].
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Hornbach Bouwmarkt (Nederland) B.V. uit Houten (hierna: ex-werkgever)
gemachtigde: mr. F. Bovenberg.

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiser] om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). [eiser] is het er niet mee eens dat het UWV aan hem vanaf 10 april 2024 geen WIA-uitkering heeft toegekend. Hij voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank of het besluit van het UWV terecht is.
1.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. [eiser] krijgt geen gelijk. Het UWV heeft aan [eiser] vanaf 10 april 2024 terecht geen WIA-uitkering toegekend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 21 mei 2024 heeft het UWV geweigerd om aan [eiser] vanaf
10 april 2024 een WIA-uitkering toe te kennen. Met het bestreden besluit van 24 april 2025 is het UWV bij de weigering van de WIA-uitkering vanaf 10 april 2024 gebleven.
2.2.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het UWV. Ex-werkgever is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
3.1.
De rechtbank stelt vast dat [eiser] geen toestemming heeft verleend voor het toezenden van stukken aan ex-werkgever die medische gegevens bevatten. De rechtbank zal daarom in deze uitspraak de medische stukken niet inhoudelijk weergeven en medische terminologie zoveel mogelijk vermijden.
3.2.
[eiser] was vanaf 1 december 2021 werkzaam als medewerker goederenontvangst en uitgifte bij ex-werkgever voor gemiddeld 23,91 uur per week. Op 13 april 2022 heeft hij zich ziek gemeld. Op 30 april 2022 is het dienstverband met ex-werkgever geëindigd. [eiser] ontving vanaf 2 mei 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij de eerstejaars ZW-beoordeling is de uitkering niet gewijzigd. De ZW-uitkering is vanaf 10 april 2024 beëindigd.
3.3.
[eiser] heeft op 10 januari 2024 een WIA-uitkering aangevraagd. De aanvraag heeft geleid tot de besluitvorming, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
Standpunt UWV
4. Het UWV stelt zich op het standpunt dat [eiser] met ingang van 10 april 2024 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiser] minder is dan 35% (16,35%). Het UWV heeft dit gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Een verzekeringsarts heeft een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarin de beperkingen van [eiser] zijn vastgelegd. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd, die [eiser] met zijn beperkingen nog kan uitvoeren. Met de middelste van de 3 functies met het hoogste loon zou [eiser] bijna evenveel kunnen verdienen als hij kon met het werk voordat hij ziek werd, zodat het UWV zijn arbeidsongeschiktheidspercentage heeft vastgesteld op 0%. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML gehandhaafd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de maatmangegevens gewijzigd en voor [eiser] andere functies geselecteerd, die hij met zijn beperkingen nog kan uitvoeren. Met de qua salaris middelste van de 3 functies met het hoogste loon kan [eiser] 16,35% verdienen van het loon dat hij had voordat hij ziek werd, zodat het UWV zijn arbeidsongeschiktheidspercentage heeft vastgesteld op 16,35% en dus minder dan 35%.
Standpunt [eiser]
5. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij meer arbeidsongeschikt is dan het UWV heeft aangenomen. Tijdens zijn jeugd zijn al beperkingen vastgesteld. Door ernstig hersenletsel dat [eiser] in 2016 is toegebracht zijn de beperkingen die er al waren ernstig toegenomen en zijn nieuwe beperkingen ontstaan.
5.1.
[eiser] is van mening dat te veel waarde wordt toegekend aan de resultaten van onderzoek door Ergatis. Hij wijst erop dat dit een momentopname betreft en dat hij tijdens het onderzoek zijn uiterste best heeft gedaan om zo positief mogelijk over te komen. Hij overschrijdt dan zijn grenzen. Na het onderzoek moest [eiser] die inspanning bekopen. Dit blijft echter buiten de beoordeling. [eiser] vindt dat meer gewicht moet worden toegekend aan de verklaringen van 2 werkgevers die gewend zijn mensen met een arbeidsbeperking te begeleiden.
5.2.
[eiser] stelt dat er ten onrechte vanuit wordt gegaan dat hij 6 uur per dag belastbaar is. Hij vindt dat dit onvoldoende is onderbouwd. [eiser] wijst erop dat mensen uit zijn omgeving, de bedrijfsarts, het re-integratiebureau en [eiser] zelf uitvoerig hebben uitgelegd dat 5 keer 3 uur per week werken maximaal haalbaar is. [eiser] is van mening dat er ten onrechte geen rekening mee is gehouden dat hij welwillend en coöperatief is en hij het liefst niet laat merken dat hij beperkt is. Dit blijkt uit het feit dat [eiser] 32 uur werken per week heeft verminderd naar 24 uur, omdat hij het werk niet vol kon houden en hij toch alsnog is uitgevallen.
5.3.
Ook 24 uur werken bleek [eiser] niet te kunnen volhouden. Dat er nu toch van wordt uitgegaan dat hij 30 uur kan werken, voelt voor hem onrechtvaardig.
5.4.
[eiser] licht toe dat hij vrijwilligerswerk doet voor 6 uur per week. Daarbij is hij van niemand afhankelijk en bepaalt hij zijn eigen tempo. Toch is hij na 3 uurtjes werken uitgeput en niet in staat om andere zaken op te pakken. Ook hieruit blijkt dat de vastgestelde urenbeperking onvoldoende is.
5.5.
Verder stelt [eiser] dat zijn cognitieve beperkingen te licht zijn ingeschat. Hij meent dat hij meer beperkt is in samenwerken, dan het UWV heeft aangenomen.
5.6.
Daarnaast stelt [eiser] dat hij vanwege zijn gezondheidsklachten niet in staat is om de geselecteerde functies te verrichten. Voor alle functies geldt dat de belastbaarheid van 6 uur per dag niet haalbaar is. Daar komt bij dat de aanvangstijden ook een reden zijn waardoor de functies niet passend zijn. Frequent verzuim ligt namelijk in de rede omdat [eiser] door de belasting en door persoonlijke stress veel slechte nachten heeft. Als hij dan met een beperkte slaaprust aan het werk moet, is hij niet de vriendelijke man die hij normaal gesproken is, maar is hij erg ongedurig, onredelijk en chagrijnig. De functies zijn daarnaast niet passend, omdat ze op het punt van samenwerken de belastbaarheid van [eiser] overschrijden. Ook stelt [eiser] dat het dragen van een koptelefoon met noisecancelling voor hem niet mogelijk is. Eén van de aandoeningen van [eiser] treedt dan zodanig op de voorgrond dat dit tot extra klachten leidt. Dit is nadrukkelijk aangevoerd tijdens de hoorzitting, maar hiermee is geen rekening gehouden.
5.7.
[eiser] is ook van mening dat de geselecteerde functie machinestikker bij productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) onduidelijk beschreven is, nu het volgens het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep maar de vraag is of collega's afhankelijk zijn van een deel van het product van de functionaris.
5.8.
[eiser] stelt dat er bij de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid niet vanuit moet worden gegaan dat hij 24 uur, maar 32 uur werkte. [eiser] was toen hij 32 uur werkte eigenlijk al ziek en heeft geprobeerd dit op te lossen door minder te gaan werken. De voormalig werkgever had hierbij een medicus moeten betrekken. Dat dit niet is gebeurd kan [eiser] niet verweten worden.
5.9.
Ook voert [eiser] aan dat hij zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) in 2022 ten onrechte heeft ingetrokken, omdat hij de uitleg van de arbeidsdeskundige destijds simpelweg niet goed heeft begrepen en de consequenties niet kon overzien.
5.10.
Ter onderbouwing van zijn beroepsgronden heeft [eiser] een brief van 28 oktober 2025 van zijn voormalig werkgever [bedrijf] B.V. en brieven van 13 september 2023 en
4 juni 2024 van Mediant overgelegd. Ook heeft hij informatie van 10 juli 1998,
24 maart 1999 en 19 januari 2000 van [naam 1] ingebracht en informatie van
8 maart 2000 plus bijlagen van [naam 2]. [eiser] heeft ook een verklaring van
3 maart 2026 van een werkbegeleider van Tetem toegestuurd. [eiser] is vanaf
1 december 2023 actief als vrijwilliger bij deze organisatie.
Reactie UWV
6. Uit de reacties blijkt dat het UWV bij zijn standpunt blijft. Het UWV heeft dit onderbouwd met een nader rapport van 2 september 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een nader rapport van 20 november 2025 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Overwegingen van de rechtbank
Toetsingskader
7.1.
In geschil is of het UWV [eiser] op de datum in geding, 10 april 2024, terecht minder dan 35% arbeidsongeschikt heeft geacht, zodat hij niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Wat [eiser] schrijft over zijn aanvraag voor een Wajong-uitkering kan in deze procedure niet aan de orde komen. Hierover is geen besluit genomen dat ter beoordeling aan de rechtbank is voorgelegd.
7.2.
In artikel 5 van Pro de Wet WIA staat dat iemand pas recht op een uitkering heeft als het arbeidsongeschiktheidspercentage ten minste 35% is. Het UWV mag zijn besluiten daarover baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten.
Verzekeringsgeneeskundig onderzoek
7.3.
Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek bestaat uit rapporten van 26 april 2024 en
17 april 2025 van de verzekeringsarts respectievelijk de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Zij hebben het dossier van [eiser] bestudeerd. De verzekeringsarts heeft [eiser] samen met zijn begeleider gesproken en gezien tijdens een spreekuur. De verzekeringsarts heeft [eiser] psychisch onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met [eiser] en zijn gemachtigde gesproken tijdens de hoorzitting. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben alle (medische) informatie bij hun beoordeling betrokken.
7.4.
De verzekeringsarts heeft in het rapport van 26 april 2024 vermeld dat bij [eiser] sprake is van aandoeningen, waardoor [eiser] beperkt is in zijn persoonlijk en sociaal functioneren. Hiervoor zijn in de betreffende rubrieken van de FML verschillende beperkingen vastgesteld. Zo gelden sterke beperkingen voor emotionele problemen van anderen hanteren en omgaan met conflicten. Ook voor samenwerken is [eiser] beperkt. [eiser] kan volgens de verzekeringsarts wel met anderen werken, maar met een eigen, van te voren afgebakende deeltaak. Ook kan [eiser] niet fulltime werken. Volgens de verzekeringsarts is een urenbeperking verstandig, omdat [eiser] snel overprikkeling opbouwt. Er geldt een urenbeperking van 6 uur per dag, voor 4 dagen per week. [eiser] is 1 dag per week niet belastbaar vanwege behandeling bij Mediant. De beperkingen zijn vastgelegd in de FML van 26 april 2024.
7.5.
Verzekeringsarts bezwaar en beroep [naam 3] (hierna: [naam 3]) heeft in het rapport van 17 april 2025 geconcludeerd dat de bezwaren geen aanleiding geven om de beoordeling te wijzigen. Onderdeel van de medische informatie is een rapport van
3 april 2023 van arts arbeid & leefstijl D. Schutte en verzekeringsarts en bedrijfsarts
R. Ouwens werkzaam bij Ergatis. Op basis van dit onderzoek is ook een FML opgesteld. De met de FML van 26 april 2024 vastgestelde beperkingen komen volgens [naam 3] overeen met het uitgebreide onderzoek van Ergatis in 2023. In aanvulling daarop zijn 2 extra beperkingen vastgesteld. [eiser] is aangewezen op werk waarin zo nodig kan worden teruggevallen op directe collega's of leidinggevenden (géén solitaire functie) en leidinggeven is voor [eiser] niet mogelijk. Een beperking in het uiten van eigen gevoelens is volgens [naam 3] terecht niet overgenomen. Tijdens de hoorzitting is gezegd dat [eiser] anderen niet in verwarring zal brengen door onduidelijke, onvoorspelbare of onconventionele wijze van gevoelsuitingen. Na het onderzoek van Ergatis in 2023 zijn er volgens [naam 3] geen nieuwe medische ontwikkelingen geweest die maken dat de vastgestelde belastbaarheid niet meer van toepassing is. De verzekeringsarts heeft [eiser] 1 dag niet belastbaar geacht vanwege behandeling. Deze behandeling is nu afgerond, zodat deze beperking volgens [naam 3] daarom zou kunnen vervallen. Omdat de exacte einddatum van de behandeling niet bekend is en dit verder geen consequenties heeft voor het arbeidsongeschiktheidspercentage heeft [naam 3] de urenbeperking van maximaal 4 keer per week 6 uur per dag gehandhaafd.
7.6.
In het nadere rapport van 20 november 2025 heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep L.A. Stegeman-Gras (hierna: Stegeman-Gras) op de beroepsgronden gereageerd. Zij wijst erop dat de klachten die [eiser] in beroep noemt al aanwezig waren tijdens het onderzoek van Ergatis in 2023, zodat ze al zijn meegewogen. Verder merkt Stegeman-Gras op dat volgens medische informatie van Mediant uit 2020 een cognitieve aandoening, die eerder is gediagnostiseerd, niet is vastgesteld. Een cognitieve bevinding die wel is bevestigd is meegenomen in het rapport van Ergatis. Dat in de persoonlijkheid van [eiser] veel is veranderd heeft [naam 3] volgens Stegeman-Gras tevens meegenomen. [eiser] heeft dit namelijk aan [naam 3] verteld en deze klachten komen overeen met de klachten en belemmeringen die Ergatis beschrijft.
7.7.
Hiermee hebben de verzekeringsarts en de verzekeringsartsen bezwaar en beroep voldoende overtuigend toegelicht dat de FML van 26 april 2024 de belastbaarheid van [eiser] op 10 april 2024 correct weergeeft.
7.7.1.
Volgens de FML is [eiser] beperkt in samenwerken. Hij kan met anderen werken, maar met een eigen, van te voren afgebakende deeltaak. Deze en de andere vastgestelde beperkingen in persoonlijk functioneren (rubriek 1) en sociaal functioneren (rubriek 2) zijn bijna gelijk aan de FML die Ergatis met het rapport van 3 april 2023 heeft opgesteld. De punten waarin de twee FMLen verschillen zijn niet in geschil. De FML van Ergatis is gebaseerd op neuropsychologisch onderzoek, dat bedoeld is om cognitieve beperkingen vast te stellen. Uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat zich sinds het onderzoek bij Ergatis geen relevante medische ontwikkelingen hebben voorgedaan. De rechtbank kan de verzekeringsarts en de verzekeringsartsen bezwaar en beroep dan ook volgen, als zij de FML van Ergatis als uitgangspunt nemen voor het vaststellen van de cognitieve beperkingen van [eiser] op de datum in geding. Zij hebben de FML van 26 april 2024 echter niet alleen gebaseerd op het rapport van Ergatis, maar ook op de andere (medische) informatie in het dossier, eigen onderzoek en gesprekken met [eiser] en zijn begeleider/gemachtigde. Dat de cognitieve beperkingen, waaronder die voor samenwerken, niet voldoende zijn heeft [eiser] niet met medische informatie onderbouwd. [eiser] heeft in beroep medische documenten overgelegd. De informatie, die blijkt uit deze stukken, was ook al bekend tijdens het onderzoek van Ergatis en is daarin meegenomen. De verklaringen van [bedrijf] B.V. en Tetem wegen niet zo zwaar dat deze tot een ander oordeel moeten leiden. Dit is namelijk geen medische informatie en niet duidelijk is of de werkzaamheden waarover deze verklaringen gaan de belastbaarheid van [eiser], zoals vastgelegd in de FML van
26 april 2024, niet overschrijden.
7.7.2.
Verder is in de FML vastgelegd dat [eiser] ’s nachts (van 0.00 tot 06.00 uur) niet kan werken. Dat [eiser] alleen in functies kan werken vanaf een bepaalde aanvangstijd heeft hij niet met medische informatie onderbouwd.
7.7.3.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de urenbeperking in de FML van
26 april 2024 voldoende is onderbouwd. Ook dit is namelijk gebaseerd op het onderzoek van Ergatis en de daarbij vastgestelde FML. Volgens Ergatis geldt een urenbeperking van 6 uur per dag en 30 uur per week. Bij de urenbeperking in de FML van 26 april 2024 van maximaal 6 uur per dag en 24 uur per week (6 uur verdeeld over 4 dagen) hebben de verzekeringsarts en de verzekeringsartsen bezwaar en beroep er rekening mee gehouden dat [eiser] 1 dag per week niet belastbaar was vanwege behandeling. Dat in stukken van de bedrijfsarts wordt uitgegaan van een belastbaarheid van 3 of 5 uur per dag gedurende 5 respectievelijk 3 dagen per week leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak, waaruit volgt dat de beoordeling van de bedrijfsarts in het kader van de re-integratie een ander soort beoordeling is, met een ander doel, dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. [1] Dit betekent dat aan de door de bedrijfsarts genoemde urenbeperkingen niet die waarde kan worden gehecht die [eiser] daaraan hecht. Dit geldt ook voor informatie van het re-integratiebureau, waar staat dat [eiser] op 13 april 2024 nog moet toewerken naar een belastbaarheid van 15 uur per week. Daarbij vindt de rechtbank ook nog van belang dat het hier niet gaat om informatie van een arts, maar om een conclusie van een re-integratieadviseur. Ook aan de mening van mensen in de omgeving van [eiser] en zijn eigen visie komt geen doorslaggevende betekenis toe, nu dit niet met relevante medische informatie is onderbouwd.
7.8.
Dat [eiser] stelt dat zijn beperkingen zwaarder zijn, betekent niet zonder meer dat ook meer of zwaardere beperkingen moeten worden aangenomen. Van belang is immers niet alleen wat [eiser] ervaart, maar wat objectief medisch als gevolg van ziekte of gebrek aan beperkingen is vast te stellen. De FML van 26 april 2024 bevat beperkingen en er is geen reden om aan te nemen dat deze beperkingen niet voldoende zijn.
Arbeidskundig onderzoek
7.9.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voor [eiser] de volgende functies geselecteerd: assemblage medewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041), medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140) en productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043). Aanvullend heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nog de functie schoonmaker interieur autobussen, treinen, trams, metro (SBC-code 111335) geduid. Met het nadere rapport van 2 september 2025 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functie productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) laten vervallen, omdat deze in de functie machine stikker, die hieronder valt, de belastbaarheid van [eiser] op het punt samenwerken overschrijdt. Het is daarom niet nodig om de beroepsgrond over deze functie te bespreken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in plaats van de vervallen functie de functie medewerker kleding en textielreiniging (SBC-code 111161) geselecteerd.
7.10.
Uitgaande van de FML van 26 april 2024 is het aannemelijk dat [eiser] in staat is om deze 4 functies te vervullen. De functies overschrijden de vastgestelde beperkingen voor werktijden (rubriek 6) niet. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 23 april 2025 en 2 september 2025 uitgelegd waarom [eiser] geschikt is voor deze functies. De eisen voor de functies en de belastbaarheid van [eiser] zijn met elkaar vergeleken. Wanneer bij deze vergelijking is gesignaleerd dat de belastbaarheid van [eiser] mogelijk wordt overschreden, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de functies toch passend zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport en de daarbij behorende resultaat functiebeoordeling van
2 september 2025 toegelicht dat de in het rapport van 2 september 2025 geduide 4 functies de belastbaarheid van [eiser] op het item samenwerken niet overschrijden. Als de functionaris in deze functies moet samenwerken, is sprake van een afgebakende deeltaak. Ook heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uitgelegd dat bij deze functies noisecancelling niet nodig is. De functionaris werkt in de functies in een prikkelarme omgeving, zonder harde geluiden. In de functie medewerker inputdiensten (medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140)) werkt de functionaris een half uur per dag in de snij- en sorteerkamer waar sprake is van lawaai, maar hier moeten de medewerkers gehoorbescherming dragen en is de blootstelling kortdurend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat [eiser] niet kortdurend gehoorbescherming kan dragen. Ook de totaalbelasting van de functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzocht. Zij heeft daarmee de geschiktheid voldoende overtuigend toegelicht.
Omvang maatgevende arbeid
7.11.
Bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid moet volgens vaste rechtspraak in beginsel als maatman worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde laatstelijk heeft verricht voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. [2] Deze hoofdregel lijdt uitzondering als de (omvang van de) laatst verrichte arbeid of het daarmee verdiende loon geen juiste maatstaf (meer) oplevert bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid, bijvoorbeeld omdat sprake is van een zogeheten medische afzakker.
7.12.
Van een medische afzakker is sprake als iemand ten gevolge van ziekte of gebrek (tijdelijk) lager beloond werk gaat doen of om medische redenen de arbeidsurenomvang terugbrengt zonder zich ziek te melden. Als iemand later uitvalt uit dit lager betaalde werk en dan een arbeidsongeschiktheidsuitkering aanvraagt, kan het voorlaatste werk als uitgangspunt worden genomen. Daarbij is van belang dat iemand als gevolg van een objectief medische noodzaak minder uren is gaan werken, bijvoorbeeld op advies van of in overleg met zijn behandelend arts of bedrijfsarts. Voor het aannemen van een medische afzakker is een voldoende specifieke medische onderbouwing een vereiste. Het vereiste van een voldoende specifieke medische onderbouwing, alvorens een medische afzakker kan worden aangenomen, is verankerd in vaste rechtspraak. [3]
7.13.
Uit het dossier kan worden afgeleid dat [eiser] heeft gewerkt bij [bedrijf] B.V. In de verklaring van 28 oktober 2025 van de manager logistics van dit bedrijf staat dat [eiser] daar vanaf 2013 tot 2015 fulltime heeft gewerkt. In 2021 is [eiser] weer bij [bedrijf] B.V. aan de slag gegaan via Timing uitzendbureau. De eerste maand werkte hij fulltime. Volgens de verklaring verzuimde [eiser] steeds vaker en kwam hij ook vaak te laat. Daarop heeft [bedrijf] B.V. met [eiser] afgesproken dat hij een dag minder zou gaan werken, zodat hij meer gelegenheid zou hebben om te herstellen. Dit had helaas niet het gewenste effect. [eiser] bleef verzuimen en te laat komen en was ook veel prikkelbaarder. Vervolgens is afgesproken dat [eiser] nog een dag minder zou werken. Hierdoor verbeterde de situatie wel iets, maar niet zoals [bedrijf] B.V. en [eiser] graag hadden gezien. In september 2021 stopten de werkzaamheden waarvoor [bedrijf] B.V. uitzendkrachten had ingehuurd. De samenwerking is daarop beëindigd. Verder blijkt uit het dossier dat [eiser] vanaf
1 december 2021 bij ex-werkgever heeft gewerkt als medewerker goederenontvangst en uitgifte voor gemiddeld 23,91 uur per week. Tijdens de zitting heeft [eiser] gezegd dat het eerst de bedoeling was dat hij 32 uur bij ex-werkgever zou gaan werken, maar dat dit uiteindelijk ongeveer 24 uur is geworden.
7.14.
Hieruit blijkt dat [eiser] bij zijn ex-werkgever niet meer dan gemiddeld 23,91 uur per week heeft gewerkt. Bij [bedrijf] B.V. heeft [eiser] zijn werkdagen wel verminderd, maar niet is gebleken dat hierbij een arts betrokken was. Duidelijk is daarom dat niet wordt voldaan aan het vereiste van een voldoende specifieke medische onderbouwing, zodat geen sprake is van een medische afzakker. Wat de oorzaak is van het ontbreken van de betrokkenheid van een medicus is niet relevant. Feit is dat niet aan het genoemde criterium wordt voldaan.
7.15.
Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiser] vanaf 10 april 2024 terecht heeft vastgesteld op 16,35% en dus minder dan 35%. Dit betekent dat het UWV terecht aan [eiser] vanaf
10 april 2024 geen WIA-uitkering heeft toegekend.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. Hij krijgt vanaf
10 april 2024 geen WIA-uitkering. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder meer Centrale Raad van Beroep (CRvB) 4 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7039 en CRvB 28 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2092.
2.Zie onder meer CRvB 15 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:477 en CRvB 17 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:99.
3.Zie CRvB 28 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2938 en 6 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:815.