ECLI:NL:RBOBR:2026:4970

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
11876029 CV EXPL 25-5046
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 194 RvArt. 195 RvArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Dexia aansprakelijk voor schade effectenlease door onrechtmatige advisering

De zaak betreft een effectenleaseovereenkomst die de rechtsvoorganger van de eisende partij, [erflater], heeft gesloten met Dexia. Hierbij leende [erflater] geld van Dexia om aandelen te kopen, maar leed verlies bij verkoop. De eisende partij vordert vergoeding van de geleden schade wegens onrechtmatig handelen van Dexia.

De rechtbank stelt vast dat Dexia haar zorgplicht, met name de waarschuwingsplicht, heeft geschonden door de overeenkomst aan te gaan terwijl de tussenpersoon zonder vergunning persoonlijk advies gaf. Dexia had hiervan wetenschap of behoorde die te hebben. De stellingen van de eisende partij over de advisering zijn voldoende concreet en onderbouwd, Dexia heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist.

De rechtbank wijst de vorderingen van Dexia af en verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld. Dexia wordt veroordeeld tot betaling van €25.005,02 aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente, en in de proceskosten. Het incidentele verzoek van Dexia tot inzage van het intakeformulier wordt afgewezen vanwege het verschoningsrecht van de gemachtigde.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot betaling van €25.005,02 schadevergoeding plus rente wegens onrechtmatig handelen bij effectenleaseovereenkomst.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11876029 CV EXPL 25-5046
vonnis van de kantonrechter van 21 mei 2026
in de zaak van
[eisende partij]handelend ten behoeve van de gemeenschap, in hoedanigheid van wettelijk erfgenaam van
[erflater] ,
wonende te [woonplaats] (gemeente [plaats] ),
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [eisende partij] en Dexia genoemd.

1.Kern van de zaak

1.1.
De rechtsvoorganger van [eisende partij] (hierna: ‘ [erflater] ’) heeft via een tussenpersoon een effectenleaseovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. [erflater] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [erflater] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest [erflater] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [erflater] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [erflater] (en diens erfgenamen) geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door (de rechtsvoorganger van) [eisende partij] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 3 september 2025;
  • het incidentele verzoek ex artikel 195 Rv Pro tevens houdende conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie;
  • de conclusie van antwoord op het incidentele verzoek tevens houdende repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
[eisende partij] is de wettelijk erfgenaam van [erflater] (hierna: ‘ [erflater] ’), die op [datum overlijden] 2008 is overleden.
3.2.
[erflater] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[nummer]
03-07-1998
Maximaal Rendement Effect
3.3.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
09-03-2006
- € 14.585,46
Nee
3.4.
Volgens opgave van Dexia heeft [erflater] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 34.734,88 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [erflater] een bedrag van € 7.359,55 aan dividenden ontvangen en ook heeft hij fiscaal voordeel genoten. Bij het beëindigen van de overeenkomst is een restschuld ontstaan, die naar aanleiding van het overlijden van [erflater] door Dexia is kwijtgescholden.
3.5.
De gemachtigde van (de rechtsvoorganger van) [eisende partij] , Leaseproces, heeft bij brief van 10 augustus 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in het incident en in reconventie
4.1.
[eisende partij] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [erflater] , zijnde de rechtsvoorganger van [eisende partij] , en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 voor recht zal verklaren dat [erflater] en iedere erfgenaam van [erflater] schade heeft gelegen als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden aan [eisende partij] als wettelijk erfgenaam en rechtsopvolger van [erflater] ,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eisende partij] van al datgene dat [erflater] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eisende partij] , met rente,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 [eisende partij] ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eisende partij] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eisende partij] gesloten overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eisende partij] verschuldigd is,
 [eisende partij] zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in het incident
algemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [erflater] , althans [eisende partij] .
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[erflater] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
verjaring
5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eisende partij] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
5.5.
[erflater] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Spaar Select (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.6.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [erflater] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [erflater] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eisende partij] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eisende partij] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [erflater] , althans [eisende partij] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.7.
[eisende partij] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[erflater] werd door Spaar Select telefonisch benaderd. De medewerker van Spaar Select
stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [erflater] door te nemen met een financieel adviseur van Spaar Select. [erflater] heeft hiermee
ingestemd. [eisende partij] was tevens bij het huisbezoek aanwezig.
Tijdens het huisbezoek heeft de adviseur van Spaar Select, te weten de heer [A]
(hierna te noemen: ‘adviseur’), geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [erflater] . Zo is met de adviseur gesproken over de hypothecaire lening, het opgebouwde pensioen, het werk en het salaris wat [erflater] ontving. Daarnaast is met de adviseur gesproken
over de wens van [erflater] om eerder te stoppen met werken. [erflater] wilde graag gaan genieten van het leven. [erflater] zocht daarom een manier om zijn pensioen extra aan te vullen om zo eerder te stoppen met werken. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikte constructie voor wist.
De adviseur adviseerde contractant om een Maximaal Rendement Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling voor zestig maanden van ongeveer NLG 50.400,-. [erflater] diende hiervoor de overwaarde op zijn woning op te nemen middels een
hypotheekverhoging van NLG 55.000,- en deze aan te wenden voor de vooruitbetaling van de Maximaal Rendement Effect overeenkomst. Na de zestig maanden diende een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 1.050,- betaald te worden. [erflater] kon de maandelijkse inleg vanuit zijn salaris voldoen volgens de adviseur. Gezien het salaris en de wens van [erflater] was dit volgens de adviseur passend. Volgens de adviseur zou contractant op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen voor zijn pensioen, waardoor contractant eerder zou kunnen stoppen met werken.
De adviseur ondersteunde zijn advies aan de hand van rekenvoorbeelden waarin er alleen maar rekening werd gehouden met positieve rendementen. Over negatieve koersen werd niet gerept. [eisende partij] kan de rekenvoorbeelden niet meer achterhalen, waardoor [eisende partij] deze stukken niet in de procedure kan overleggen.
De adviseur heeft [erflater] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet
op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [erflater] op deze risico’s gewezen was had hij het de Maximaal Rendement Effect overeenkomst nooit afgesloten. [erflater] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en hij vertrouwde volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft contractant het advies van de adviseur opgevolgd en een Maximaal Rendement Effect overeenkomst afgesloten met een vooruitbetaling van NLG 50.33 1,36 en een maandelijkse inleg van NLG 1.048,57 (€ 475,82). De aanvraag voor de Maximaal Rendement Effect overeenkomst is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend. De hypotheek is vervolgens verhoogd en er is voor ruim NLG 50.000,- aan inleg betaald voor het effectenleasecontract van Bank Labouchere.
5.8.
[eisende partij] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 06-07-1998 met contractnummer [nummer] , voorzien van de tekst:
“Adviseur [nummer] Spaar Select B.V. ”.en een stempel met de tekst:
“Hypotheek Select [A] ”,
- de brief van de Rabobank, waarop staat:
“dat de bank blijkens akte d.d. 7-8-1998 aan de debiteuren “onder debiteuren genoemd” een geldlening groot NLG 55.000,00, zegge: vijfenvijftigduizend gulden heeft verstrekt.”
- de nota van afrekening van [B] notarissen van 7 augustus 1998 waarop staat: “
kosten inzake akte van hypotheek: honorarium over fl. 60.000,00(…)”.
- de brief van Hypotheek Select waarin staat: “
U heeft via onze bemiddeling gekozen voor een Maximaal Rendement Effect van Bank Labouchere NV. De investering die u hierin gaat doen wordt gefinancierd met middelen verkregen uit een hypotheekverhoging.(…)”.
aanhoudingsverzoek
5.9.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.10.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.11.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.12.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eisende partij] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] [5] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in haar geval heeft [eisende partij] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eisende partij] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eisende partij] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eisende partij] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [erflater] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [erflater] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.13.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Spaar Select aan [erflater] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Zij was er door haar nauwe samenwerking met Spaar Select bij de verkoop van haar producten namelijk mee bekend dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die zij als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. Dit is een voldoende onderbouwing van de stelling van [eisende partij] dat Dexia ook in zijn/haar geval bekend behoorde te zijn met de advisering van [erflater] door Spaar Select. [6] Dexia heeft hiertegenover slechts gesteld dat zij niet kan weten hoe het in dit concrete geval is gegaan. Deze betwisting door Dexia is onvoldoende om de conclusie dat zij dit wel had behoren te weten te ondergraven. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eisende partij] voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia5.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eisende partij] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [erflater] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [erflater] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [7] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [eisende partij]5.15. De door [eisende partij] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [erflater] heeft gehandeld door [erflater] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [erflater] niet alleen als klant aanbracht maar [erflater] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.16.
De als gevolg hiervan door [erflater] (en diens erfgenamen) geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eisende partij] , behoudens het daarin berekende fiscaal voordeel, niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
5.17.
[eisende partij] heeft bij conclusie van repliek een biljet van proces overgelegd waaruit volgens [eisende partij] volgt dat Dexia bij de berekening van het fiscale voordeel het verkeerde belastingtarief (50%) heeft gebruikt. In reactie op het door Dexia gevoerde verweer heeft [eisende partij] een toelichting op de aangifte van de inkomstenbelasting uit 1998 overgelegd waaruit blijkt dat iemand alleen in tariefgroep 3 valt wanneer een echtgeno(o)t(e) geen inkomen heeft of een inkomen lager dan NLG 8.207,-. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft in het arrest van 16 april 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:1327) uitgelegd hoe de berekening gemaakt moet worden om het fiscaal voordeel te begroten in de gevallen waar de Wet IB 1964 van toepassing is. Daaruit volgt dat in deze zaak bij de berekening van het fiscaal voordeel moet worden uitgegaan van het lagere, door [eisende partij] genoemde tarief, van 36,35%, waardoor het fiscale voordeel in totaal € 2.370,31 bedraagt.
5.18.
[eisende partij] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op € 25.005,02. Omdat Dexia de berekening, met uitzondering van het hiervoor besproken fiscale voordeel, niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.
5.19.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.20.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eisende partij] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
het incidentele verzoek van Dexia
5.21.
Dexia verzoekt dat [eisende partij] wordt veroordeeld het intakeformulier van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken. Een zogenoemde “exhibitievordering” komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking als is voldaan aan de volgende uit artikel 194 Rv Pro. voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:
- degene die de vordering instelt, dient een voldoende belang te hebben,
- het moet gaan om bepaalde gegevens,
- aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.
5.22.
Daargelaten de vraag of aan deze vereisten is voldaan, oordeelt de kantonrechter dat op grond van het tweede lid van 194 Rv geen inzage van het intakeformulier dan wel van andere schriftelijke documenten verlangd kan worden. In het tweede lid van artikel 194 Rv Pro is, kortgezegd, bepaald dat beoefenaren van vertrouwensberoepen ter zake van hetgeen hen in hun hoedanigheid is toevertrouwd niet gehouden zijn om aan de exhibitievordering te voldoen. In beginsel betreft dit alle met de beroepsbeoefenaar gewisselde stukken en is het aan de beroepsbeoefenaar om te bepalen of die informatie hem in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd. Er is dus bij hoge uitzondering ruimte om van de beroepsbeoefenaar te verlangen dat hij zich niet op zijn verschoningsrecht beroept. Ook van [eisende partij] als cliënt(e) van de beroepsbeoefenaar kan (ervan uitgaande dat [eisende partij] , althans haar gemachtigde, in het bezit is van het intakeformulier) of vergelijkbaar ander document, geen inzage worden verlangd omdat gewichtige redenen als bedoeld in het tweede lid van artikel 194 Rv Pro, zich daartegen verzetten. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eisende partij] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens, via een toegewezen exhibitievordering, bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Al met al oordeelt de kantonrechter dat de incidentele vordering van Dexia moet worden afgewezen.
5.23.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op € 87,00.
vorderingen Dexia
5.24.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.25.
Omdat [eisende partij] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eisende partij] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 100,00
Totaal € 910,47
5.26.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1.
wijst het verzoek af,
6.2.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eisende partij] , tot op heden begroot op € 87,00,
in conventie
6.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld door de rechtsvoorganger van [eisende partij] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon de rechtsvoorganger van [eisende partij] niet alleen als klant aanbracht maar tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.4.
verklaart voor recht dat [erflater] en iedere erfgenaam van [erflater] schade heeft gelegen als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.5.
veroordeelt Dexia om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 25.005,02, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.16.,
6.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 910,47 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.7.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.10.
wijst de vorderingen af,
6.11.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisende partij] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
7.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.