Eiser had een ZW-uitkering en later een WIA-uitkering ontvangen, die het UWV introk en terugvorderde omdat geen sprake was van een dienstverband met de werkgever, een paardenhouderij. Het UWV voerde aan dat eiser geen werkzaamheden had verricht en geen loon had ontvangen, wat werd ondersteund door onderzoek en ontbrekende loonadministratie.
Eiser betwistte dit en stelde dat er wel degelijk een arbeidsovereenkomst was, met feitelijke arbeid, gezagsverhouding en loon. Ook stelde hij dat het UWV de algemene beginselen van behoorlijk bestuur had geschonden en dat sprake was van discriminatie. De rechtbank verwierp deze stellingen en oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en voldoende aannemelijk had gemaakt dat geen dienstverband bestond.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende tegenbewijs had geleverd en dat het UWV terecht de uitkeringen had ingetrokken en teruggevorderd. Er was geen dringende reden om hiervan af te zien. Wel werd eiser een immateriële schadevergoeding van € 500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 467.