Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2853

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
11464851 CV EXPL 24-7247
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige effectenleaseovereenkomst met Dexia Nederland B.V. en schadevergoeding

Eisers sloten via een tussenpersoon een effectenleaseovereenkomst met Dexia, waarbij zij geld leenden om aandelen te kopen. Na afloop van de overeenkomst leed eiser verlies door waardedaling van de aandelen. Eisers vorderden volledige schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van Dexia.

De rechtbank stelt vast dat de tussenpersoon geen vergunning had voor beleggingsadvies en dat Dexia hiervan op de hoogte had moeten zijn. Dexia heeft haar zorgplicht, waaronder de waarschuwingsplicht, geschonden door de overeenkomst aan te gaan ondanks het ontbreken van vergunningplichtige advisering.

De rechtbank volgt de jurisprudentie en oordeelt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en dat de schade van eiser, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld minus genoten voordelen, volledig voor rekening van Dexia komt. De vorderingen van Dexia worden afgewezen.

Dexia wordt veroordeeld tot betaling van € 14.512,43 plus wettelijke rente en proceskosten. Verzoeken tot verstrekking van intakeformulieren worden afgewezen vanwege het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen eiser en diens rechtsbijstandverlener.

De uitspraak bevestigt de aansprakelijkheid van financiële instellingen voor het gebruik van niet-vergunde tussenpersonen bij complexe financiële producten zoals effectenleaseovereenkomsten.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding van € 14.512,43 plus wettelijke rente en proceskosten wegens onrechtmatig handelen via een niet-vergunde tussenpersoon.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11464851 CV EXPL 24-7247
vonnis van de kantonrechter van 12 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1]2. [eiser 2] ,

wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.
Partijen worden hierna [eisers] en Dexia genoemd.

1.Kern van de zaak

1.1.
[eisers] heeft via een tussenpersoon een effectenleaseovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. [eisers] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eisers] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst zijn de aandelen verkocht en moest [eisers] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eisers] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [eisers] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eisers] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding;
  • de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek ex artikel 195 Rv Pro;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, tevens conclusie van antwoord in het incident en een zelfstandig incidenteel verzoek ex artikel 194 Rv Pro;
  • de conclusie van antwoord in het incident, tevens conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties
  • de akte uitlating producties.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.3. De feiten

3.1.
[eisers] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[nummer 1]
22-11-2000
Profit Effect
3.2.
De overeenkomst is na het verstrijken van de looptijd van 120 maanden beëindigd. Dexia heeft in november 2010 een eindafrekening opgesteld op grond waarvan [eisers] nog een bedrag van € 6.860,86 aan restant hoofdsom aan Dexia moest voldoen. [eisers] heeft dit bedrag op 8 december 2010 aan Dexia betaald.
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [eisers] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 15.810,99 aan leasetermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eisers] € 2.889,00 aan dividenden en claims ontvangen, en € 696,51 aan fiscaal voordeel genoten.
3.4.
De gemachtigde van [eisers] , Leaseproces, heeft bij brief van 12 maart 2007 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
3.5.
Op 18 januari 2012 heeft Dexia een bedrag van € 4.750,14 aan [eisers] uitgekeerd, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente.

4.De vorderingen en het verweer in de hoofdzaak en in het incident

4.1.
[eisers] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident:
 Dexia zal veroordelen om [eisers] een afschrift van het aanvraagformulier van de overeenkomst te verstrekken,
in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 voor recht zal verklaren dat [eisers] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eisers] van al datgene dat [eisers] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst(en), vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eisers] , met rente,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident:
 [eisers] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier,
in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de effecten-leaseovereenkomst met nummer [nummer 1] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [eisers] verschuldigd is,
 [eisers] zal veroordelen in de proceskosten in conventie en in reconventie.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en de incidentele verzoekenalgemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eisers]
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[eisers] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en een restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
verjaring
5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eisers] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
5.5.
[eisers] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [A] (verder te noemen: [A] / de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenlease-overeenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548, onder het kopje ‘Tot slot’), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.6.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eisers] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eisers] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eisers] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eisers] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eisers] – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.7.
[eisers] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[eisers] was in contact met [A] omdat een adviseur van [A] , de
heer [B] (hierna te noemen: adviseur), [eisers] had geadviseerd over het afsluiten van een hypothecaire lening voor het kopen van een stuk grond en het bouwen van een eigen woning. [eisers] heeft de hypotheekberekening die is opgemaakt door [A]
als productie B overgelegd. De adviseur was ervan op de hoogte dat [eisers] een bedrag van de winst die voortvloeide uit de verkoop van haar oude woning niet had gebruikt voor de bouw van de nieuwe woning. Naar aanleiding daarvan heeft de adviseur [eisers] opnieuw uitgenodigd op kantoor om de financiële situatie van [eisers] door te nemen. [eisers] heeft hiermee ingestemd.
De adviseur was vanwege de bestaande adviesrelatie al volledig op de hoogte van de financiële situatie van [eisers] Er is met de adviseur gesproken over de winst van de verkoop van de oude woning van [eisers] . Dat was ongeveer NLG 80.000,-. Met de
adviseur is ook gesproken over de wens van [eisers] om vermogen op te bouwen voor de toekomst en eventueel voor de studie van de kinderen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier geschikte producten voor wist.
De adviseur adviseerde [eisers] om een beleggingsrekening bij Holland Beleggings-
groep af te sluiten en hier NLG 70.000,- op te storten. Daarnaast adviseerde de adviseur [eisers] om een Profit Effect product van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 10.000,-. Volgens de adviseur zou [eisers] met het resterende bedrag van de winst van de verkoop van de oude woning op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen voor de toekomst waarmee [eisers] ook eventueel en studie voor de kinderen zou kunnen bekostigen. De adviseur ondersteunde zijn verhaal aan de hand van een brochure van het Profit Effect product van Bank Labouchere en prognoses van de beleggingen via de Hollandse Beleggersrekening, welke [eisers] heeft overgelegd als respectievelijk productie C en productie D. De rekenvoorbeelden gingen alleen maar uit van koersstijgingen.
De adviseur heeft [eisers] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [eisers] op deze risico’s gewezen was, had zij het Profit Effect nooit afgesloten.
[eisers] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten
en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze
reden heeft [eisers] het advies van de adviseur opgevolgd en een Profit Effect product van Bank Labouchere afgesloten met een vooruitbetaling van NLG 9.782,62. Tevens heeft [eisers] het advies van de adviseur opgevolgd en een Holland Beleggersrekening afgesloten en NLG 70.000,- hierop gestort. [eisers] heeft een betalingsbewijs van deze storting overgelegd en een brief van Holland Beleggingsgroep
(productie E). Op de brief is te zien dat [A] de tussenpersoon was.
De aanvraag voor het Profit Effect is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend.
Het opvolgen van het advies heeft voor [eisers] desastreus uitgepakt. In plaats van het voorgespiegelde vermogen dat zou worden opgebouwd, is [eisers] de betaalde inleg geheel kwijtgeraakt. Daarnaast heeft [eisers] een restschuld aan de overeenkomst overgehouden.
5.8.
[eisers] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, onder meer gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst met contractnummer [nummer 1] , voorzien van de tekst:
“Adviseur [nummer 2] [A] B.V.
- een hypotheekberekening opgesteld door [A] B.V. op 2 maart 1999;
- prognosevoorbeelden
- schermafbeeldingen website [A]
- KvK-uittreksel [A] waarin melding wordt gemaakt van de volgende bedrijfsomschrijving vanaf 15 december 1994:
“Het verlenen van bemiddeling bij het afsluiten van overeenkomsten van verzekering, het verzorgen van financieringen, het voeren van administraties, het verrichten van managementdiensten en de aan- en verkoop van goederen”.
5.9.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon maar dit niet is komen vast te staan;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.10.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eisers] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] [5] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in haar geval heeft [eisers] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eisers] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eisers] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eisers] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eisers] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eisers] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.11.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eisers] Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [eisers] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eisers] voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia5.12. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eisers] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [eisers] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eisers] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [6] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [eisers]5.13. De door [eisers] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door [eisers] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisers] niet alleen als klant aanbracht maar [eisers] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.14.
De als gevolg hiervan door [eisers] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen en fiscale voordelen. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eisers] niet is betwist.
[eisers] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op
€ 14.512,43. Zij heeft daarbij rekening gehouden met een bedrag van € 4.573,91 dat Dexia reeds aan haar heeft betaald (vergoeding 2/3e deel van de restschuld exclusief wettelijke rente). Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.
De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en
HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
de incidentele vordering van [eisers]
5.18.
[eisers] vordert Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier van de overeenkomst. Uit het voorgaande volgt dat [eisers] in het gelijk zal worden gesteld. Zij heeft dan ook geen belang meer bij dit stuk in deze procedure, zodat de vordering zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
het incidentele verzoek van Dexia
5.20.
Dexia verzoekt dat [eisers] wordt veroordeeld het intakeformulier aan Dexia te verstrekken waaraan de door Leaseproces ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.21.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eisers] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.22.
De proceskosten van dit incident zullen voor rekening van Dexia komen omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eisers] zullen worden begroot op € 87,00.
vorderingen Dexia
5.23.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.24.
Omdat [eisers] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eisers] gevallen.
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- dagvaarding € 135,97
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten € 100,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 901,97
5.25.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1.
wijst het verzoek af,
6.2.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eisers] , tot op heden begroot op € 87,00,
het incident van [eisers]
6.3.
wijst de vordering af,
6.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in conventie
6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door [eisers] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisers] niet alleen als klant aanbracht maar [eisers] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.6.
verklaart voor recht dat [eisers] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade aan [eisers] te vergoeden,
6.7.
veroordeelt Dexia om aan [eisers] te betalen de schade van € 14.512,43, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.14.,
6.8.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 901,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.9.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.10.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.12.
wijst de vorderingen af,
6.13.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisers] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.