ECLI:NL:RBOBR:2025:8083

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
25/554
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een naheffingsaanslag parkeerbelasting door de Rechtbank Oost-Brabant

Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over een naheffingsaanslag parkeerbelasting die was opgelegd aan de kentekenhouder van een voertuig in Eindhoven. De heffingsambtenaar had op 25 oktober 2024 een naheffingsaanslag van € 78,60 opgelegd, bestaande uit € 1,90 parkeerbelasting en € 76,70 aan kosten voor naheffing. Eiseres, die bezwaar had gemaakt tegen deze aanslag, stelde dat de kosten niet in overeenstemming waren met de wettelijke bepalingen en dat er sprake was van een onjuist parkeertarief. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de geuite twijfels over de kostenraming naar vermogen had weggenomen en dat de kostenraming niet in strijd was met de geldende regelgeving. De rechtbank concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en verklaarde het beroep van eiseres ongegrond. Eiseres kreeg geen vergoeding van haar proceskosten en het griffierecht werd niet teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/554

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, de heffingsambtenaar

(gemachtigden: [naam] en [naam] ).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting die aan de kentekenhouder is opgelegd.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 25 oktober 2024 aan kentekenhouder [naam] een naheffingsaanslag parkeerbelasting (met aanslagnummer [nummer] ) opgelegd ter hoogte van € 78,60. Dit bedrag omvat € 1,90 parkeerbelasting en € 76,70 kosten naheffing.
1.2.
Met de uitspraak op bezwaar van 20 januari 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Eiseres heeft gereageerd op het verweerschrift.
1.6.
De heffingsambtenaar heeft op die reactie gereageerd.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 gezamenlijk, niet gevoegd, op zitting behandeld met de beroepen in de zaken SHE 24/3998 en SHE 24/4095. De gemachtigde van eiseres heeft met bericht van verhindering voor de zitting de rechtbank laten weten niet naar de zitting te komen. Eiseres is ook niet gekomen. De gemachtigden van de heffingsambtenaar zijn wel naar de zitting gekomen.
Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek in de zaken gesloten. Nadien zijn de zaken gesplitst, waarna in die zaken afzonderlijk uitspraak is gedaan.

Feiten

2. Op 18 oktober 2024 stond het voertuig met het kentekennummer [kenteken] geparkeerd op een openbare parkeerplaats, locatie [locatie] in [plaats] . Deze parkeerplaats is aangewezen [1] als plaats waar tegen betaling mag worden geparkeerd. Tijdens een controle op die dag is om 15:52 uur geconstateerd dat de parkeerbelasting niet was betaald. Vervolgens is op 25 oktober 2024 de naheffingsaanslag parkeerbelasting kenbaar gemaakt en opgelegd.
3. In de Verordening is de volgende raming/kostenonderbouwing voor het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgenomen:

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank stelt vast dat de onderhavige naheffingsaanslag aan [naam] als kentekenhouder van de auto is opgelegd. Tegen een aan de kentekenhouder opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting kan ook de feitelijke parkeerder (die niet de kentekenhouder is) bezwaar en beroep instellen. [2] De heffingsambtenaar heeft niet weersproken dat eiseres belanghebbende is in deze zaak en zij heeft bezwaar en beroep ingesteld. Ook de rechtbank gaat daar van uit.
5. Niet (meer) in geschil is dat eiseres op het moment van de controle geen belasting had voldaan voor het parkeren van de auto in een gebied waarin alleen tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning mag worden geparkeerd.
Onjuist parkeertarief?
6. Eiseres voert aan dat de heffingsambtenaar haar een onjuist uurtarief in rekening heeft gebracht. Uit wettelijke bepalingen volgt namelijk dat tarieven van parkeerbelasting slechts mogen worden gebaseerd op een limitatief aantal factoren namelijk: de parkeerduur, de parkeertijd, de ingenomen oppervlakte en de ligging van de terreinen of weggedeelten. De gemeente Eindhoven stelt het tarief ook afhankelijk van de vraag of iemand al dan niet parkeert met gebruikmaking van een bezoekersregeling. De gemeente Eindhoven hanteert voor het betalen via de bezoekersregeling een tarief van € 0,20, terwijl eiseres € 1,90 moet betalen. Hiervoor bestaat geen grond in artikel 225, achtste lid, van de Gemeentewet, en de Verordening moet daarom (gedeeltelijk) onverbindend worden verklaard.
7. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling. De tariefdifferentiatie vindt namelijk zijn grondslag in artikel 225, eerste lid, van de Gemeentewet. De bezoekersregeling waarvan eiseres gebruikt maakte is besloten in de parkeerbelasting voor de parkeervergunning. De bezoekersregeling waar het gereduceerde tarief voor geldt maakt deel uit van de parkeervergunning voor bewoners, de bewonersvergunning. [3] Alleen onder strikte voorwaarden kan een bezoeker hier gebruik van maken. Als een parkeerder als bezoeker zich niet houdt aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de bezoekersregeling moet de parkeerder de parkeerbelasting op reguliere wijze voldoen. Dat betekent dat in dat geval de parkeerbelasting wordt geheven van een bestuurder van een voertuig die zijn auto parkeert en is gelimiteerd op grond van parkeerduur, de parkeertijd, de ingenomen oppervlakte en de ligging van de terreinen of weggedeelten. Er is dan ook, anders dan eiseres stelt, geen sprake van een niet toegestaan verschil in tarief omdat parkeren onder de bezoekersregeling een uitvloeisel is van de verleende parkeervergunning aan bewoners. De beroepsgrond slaagt niet.
Beoordelingskader kosten naheffing
8. Op grond van artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet worden ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag kosten in rekening gebracht. Op grond van artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de wijze van berekening en de maximale hoogte van de in het vijfde lid bedoelde kosten. In de Verordening wordt het bedrag van de in rekening te brengen kosten bepaald.
8.1.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelasting (het Besluit) kunnen de gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet ten hoogste bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen:
a. vaste informatieverwerkingskosten;
b. variabele informatieverwerkingskosten;
c. kosten van afschrijving;
d. kosten van interest;
e. personeelskosten;
f. overheadkosten, welke ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.
8.2.
Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit stelt de (gemeente)raad op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vast dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. Op grond van artikel 3 van het Besluit zoals dit luidde in het kalenderjaar 2024 bedraagt het bedrag (aan kosten) bedoeld in artikel 2, tweede lid, ten hoogste € 76,70.
8.3.
Voor de uitleg van het criterium ‘samenhangen met’ van artikel 2, eerste lid van het Besluit, zoekt de rechtbank aansluiting bij de jurisprudentie over de toetsing van de opbrengstlimiet en legt zij dit criterium zo uit dat kosten die meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting, geheel in aanmerking komen als kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. [4]
Is de kostenonderbouwing van de kosten naheffing in strijd met het Besluit?
9. In beroep is tussen partijen in geschil of de kostenraming van de gemeente Eindhoven in strijd is met artikel 2, eerste lid, van het Besluit.
9.1.
De rechtbank overweegt dat de regels van stelplicht en bewijslast in dit kader volgen uit de relevante overwegingen van de Hoge Raad in zijn arresten van 4 en 18 april 2014. [5] Indien, zoals in deze zaak, een belanghebbende overschrijding van de verhaalbare kostenlimiet aan de orde heeft gesteld en de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, kan het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar worden verlangd als de belanghebbende daarna voldoende gemotiveerd één of meerdere (kosten)posten in de raming in twijfel trekt. In dat geval geldt geen zwaardere eis dan dat de heffingsambtenaar naar vermogen de geuite twijfel wegneemt. Dat houdt niet in dat de heffingsambtenaar moet bewijzen dat die twijfel ongegrond is.
9.2. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar het standpunt heeft ingenomen dat niet een te hoog bedrag aan kosten is doorberekend en hij heeft hiertoe in de bezwaarfase het volgende kostendekkingsoverzicht overgelegd.
9.3.
Uit dat overzicht blijkt voor het jaar 2024 dat de totale geraamde baten van de in de Verordening opgenomen naheffingsaanslagen 83% (afgerond) van de daarmee in totaal gemoeide lasten bedragen.
9.4.
De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase ook een overzicht directe personeelskosten en overhead verstrekt als nadere uiteenzetting van die kostenposten zoals die voorkomen in het hiervoor genoemde kostendekkingsoverzicht.
9.5. Eiseres heeft dit overzicht in beroep niet bestreden en heeft dus op geen enkele wijze deze kostenposten verder in twijfel getrokken. De heffingsambtenaar hoeft niet uit zichzelf (per specifieke post) inzichtelijk te maken hoe hij tot die raming is gekomen of te onderbouwen welke (specifieke) kosten zijn meegenomen in de begroting.
9.6.
De heffingsambtenaar heeft eerder in de bezwaarfase ook een overzicht verstrekt met betrekking tot de overige kosten als nadere uiteenzetting van die kostenposten zoals die voorkomen in het hiervoor genoemde kostendekkingsoverzicht.
9.7. Aanvullend, en in reactie op het verweerschrift, heeft eiseres alsnog gesteld dat de heffingsambtenaar de verschillende posten in het hiervoor weergegeven overzicht overige kosten verdeelt over verschillende categorieën, maar dat betekent niet dat die posten automatisch kunnen worden meegenomen.Meer specifiek stelt eiseres dat de heffingsambtenaar ten onrechte de kosten voor invordering heeft doorgerekend in de kosten naheffing. Dat zijn, volgens eiseres, kosten die na de aanslag worden gemaakt en via de Invorderingswet en/of Kostenwet verhaald moeten worden. Ook het gebruik van fietsen en scooters door handhavers, of een deel van de politiekosten kunnen niet worden meegenomen. Tenslotte is de post ‘diversen’ zonder uitleg niet controleerbaar. De heffingsambtenaar heeft volgens eiseres onvoldoende inzicht gegeven in de overige kosten en deze kunnen niet gelden als kosten die gemaakt worden om de naheffingsaanslag op te leggen.
9.8.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de heffingsambtenaar kosten heeft opgevoerd die onvoldoende samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting. De heffingsambtenaar heeft in zijn stukken voldoende toegelicht dat er geen sprake is van kosten voor invordering van naheffingsaanslagen die worden doorberekend. De heffingsambtenaar heeft uiteen gezet dat bij deze kosten het er niet om gaat dat die uitsluitend en alleen ten behoeve van de inning moeten worden toegerekend. Het gaat er om dat er samenhang bestaat. Het betreft hier kosten ter zake van het opleggen van de naheffingsaanslagen en de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Het gaat daarbij uiteindelijk om de inning van de parkeerbelastingen. Dat betekent dat de werkzaamheden met betrekking tot de invordering veel ruimer zijn dan eiseres stelt. Het gaat dan ook om opleggen en verzenden van naheffingsaanslagen, het beantwoorden van vragen, de verzending van de betalingsherinnering en alle administratieve handelingen daaromheen. Pas als het traject van aanmaning aanvangt is sprake van werkzaamheden zoals bedoeld in de Kostenwet. Die werkzaamheden zijn niet opgenomen in de kosten voor de oplegging en invordering van naheffingsaanslagen die hierboven zijn vermeld.
9.9.
De rechtbank kan deze toelichting volgen. De rechtbank wijst in dit verband naar de conclusies van [naam] van 25 oktober 2024 en de bijlage daarbij. [6] Deze uitleg wordt ook gevolgd door uitspraken van hoven. [7] De uitleg van het criterium ‘samenhangen met’ wordt in de rechtspraak ruimer uitgelegd dan waar eiseres kennelijk vanuit gaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar dan ook terecht deze kosten opgenomen in de raming, omdat, zoals de rechtbank eerder al heeft overwogen, die kosten meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting.
9.10.
Wat betreft het ‘aandeel kosten politie’ heeft de heffingsambtenaar naar voren gebracht dat het hier gaat om gebruikskosten portofoon/mobilofoon, aangesloten op het C2000-netwerk van de politie. De toezichthouders moeten in direct contact staan met de politie. Slechts een deel van deze kosten is toegerekend. Wat betreft de kosten van fietsen en/of scooters heeft de heffingsambtenaar naar voren gebracht dat die vervoersmiddelen worden gebruikt door de handhavers bij hun taak van de (na)controle van niet betaalde parkeerbelastingen. Daarmee is het evident dat die kosten zijn toe te rekenen.
9.11.
Over de kostenpost diversen heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat hieronder talloze kosten van de afdeling handhaving vallen, en slechts voor een beperkt deel zijn toegerekend. Het gaat dan om (incidentele) kosten van bijvoorbeeld huur van auto’s, kosten brandstof, kosten van schade, reinigingskosten van dienstvoertuigen, fietshelmen, telefoonhouders voor fietsen van toezichthouders, licentiekosten en dergelijke. Dit zijn directe kosten die niet onder overhead vallen. Deze kosten hangen daarmee ook rechtstreeks samen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen, zoals bedoeld in artikel 2 van het Besluit.
9.12.
De rechtbank volgt de heffingsambtenaar aldus in zijn standpunt dat deze kosten rechtstreeks dan wel meer dan zijdelings zijn toe te rekenen. De heffingsambtenaar heeft naar vermogen de geuite twijfel weggenomen. Eiseres heeft geen twijfel kunnen zaaien dat de genoemde en bestreden kostenposten niet behoren te worden toegerekend.
9.13.
De conclusie is daarmee dat de kostenonderbouwing van de kosten van de naheffingsaanslag niet in strijd is met artikel 2 van het Besluit. De rechtbank is van oordeel dat uit het kostendekkingsoverzicht volgt dat de geraamde kosten voor 83% worden gedekt door de geraamde baten. Van een overschrijding van de opbrengstlimiet is dan ook geen sprake. De rechtbank merkt daarbij op dat zelfs in het geval dat eiseres al zou worden gevolgd in haar stelling dat alle genoemde kostenposten in het overzicht overige kosten niet in de kostenraming hadden mogen worden opgenomen daarmee het kostendekkingspercentage circa 93 à 94% zou bedragen en niet boven de 100% uitkomt.
10. Dit leidt tot het oordeel dat het bedrag van de kosten van de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. Het gevolg hiervan, en al het voorgaande, is dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van
drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op
10 december 2025
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof 'sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 'sHertogenbosch.

Voetnoten

1.Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2024 van de gemeente Eindhoven (hierna: de Verordening), met de daarbij behorende Tarieventabel, en het Aanwijsbesluit en het uitwerkingsbesluit parkeren juni 2024 van de gemeente Eindhoven (Gemeenteblad 2023, 518509).
2.Hoge Raad 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6508.
3.Artikel 17 van het Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit parkeren
4.Zie onder andere rechtbank Rotterdam, 20 februari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:2491. Ook gerechtshof Den Haag, 9 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:208 en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:591.
5.Hoge Raad, 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, en Hoge Raad, 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:938, ter precisering van wat is overwogen in Hoge Raad, 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968.
7.Zie noot 2.