Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2018 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
“Hierbij stuur ik u betreffende brief per email wegens het ontbreken van de adresgegevens in uw schrijven van 6 oktober 2017. (…)”
“Met dagtekening 06 oktober 2017 wendde u zich tot ons als gemachtigde van [bedrijf] B.V. en heeft u een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag met aanslagbiljetnummer [nummer] . Bezwaarschriften kunnen alleen worden ingediend door een bevoegde persoon. Als bevoegde persoon wordt aangemerkt degene op wiens naam de beschikking/aanslag is gesteld en degene die daarvoor is gemachtigd. Ik verzoek u derhalve op grond van artikel 2:1, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht een machtiging te overleggen waaruit blijkt dat u namens [bedrijf] B.V. gemachtigd bent inzake het voeren van bezwaar en beroepsprocedures. Wij ontvangen de machtiging onder vermelding van dossiernummer [nummer] graag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 4 weken na verzending van deze brief. Als de machtiging niet binnen de gestelde termijn van 4 weken is overgelegd zal ik het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren.”Hierop heeft de gemachtigde niet gereageerd.
kennelijkniet-ontvankelijk heeft aangemerkt en een hoorzitting achterwege heeft gelaten. Gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb en in artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb is van een schending van de hoorplicht of verschuldigdheid van een dwangsom derhalve geen sprake.
“(…) Namens de vennootschap [bedrijf] B.V. is geen bezwaar gemaakt (…)”. De rechtbank overweegt voorts dat de gemachtigde in het beroepschrift weliswaar schrijft:
“(…) Er is echter bezwaar gemaakt namens bestuurder [naam] , een natuurlijk persoon. (…)”en in het aanvullend beroepschrift:
“(…) Verweerder behoort te weten dat ook de bestuurder belanghebbende kan zijn bij een naheffingsaanslag. (…)”, maar dit niet nader concretiseert. Zo is onduidelijk gebleven of de gemachtigde bedoeld heeft te stellen dat eiser bestuurder van [bedrijf] B.V. is of dat hij bedoeld heeft te stellen dat eiser de bestuurder van de auto was en, in dat geval, dat mogelijk sprake is van de situatie als bedoeld in ECLI:NL:HR:2000:AA6508 (feitelijk parkeerder of gebruiker van de auto, aan wie de naheffingsaanslag in rekening zal worden gebracht). Nu de naheffingsaanslag niet aan eiser, maar aan [bedrijf] B.V. is opgelegd, ligt het op de weg van eiser de feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken, die ertoe zouden kunnen leiden dat hij gerechtigd is tegen die naheffingsaanslag in rechte op te komen. De enkele, niet nader geconcretiseerde stellingen in het beroepschrift, zoals hiervoor vermeld, zijn daarvoor onvoldoende.