ECLI:NL:RBOBR:2018:1453
Rechtbank Oost-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking mondelinge aanstelling ambtenaar
Verzoekster ontving op 9 februari 2018 een mondelinge toezegging tot aanstelling als Informant E per 19 maart 2018 bij de Belastingdienst, waarna zij haar arbeidsovereenkomst met een uitzendbureau opzegde. Op 16 februari 2018 werd haar medegedeeld dat de aanstelling niet wordt toegekend vanwege nieuwe feiten, waaronder het niet melden van een WO-masterdiploma.
Verzoekster maakte bezwaar tegen deze intrekking en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De rechtbank oordeelde dat de mondelinge toezegging en de intrekking daarvan rechtspositionele beslissingen zijn waartegen rechtsmiddelen openstaan en dat de voorzieningenrechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek.
Echter, de rechtbank stelde vast dat er geen spoedeisend belang bestond omdat verzoekster over voldoende eigen vermogen beschikt om de periode tot de beslissing op bezwaar financieel te overbruggen. Ook was er geen sprake van onomkeerbaarheid, aangezien bij een onterechte intrekking alsnog aanstelling zou volgen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De rechtbank kwam niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de mondeling toegezegde aanstelling wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.