ECLI:NL:RBNNE:2026:401

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
25/1695
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt juiste vaststelling bezwaarkostenvergoeding en verhoogt immateriële schadevergoeding in belastingzaak

Eiseres maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2015, waarbij de inspecteur correcties toepaste op het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en sparen en beleggen. Na bezwaar en hoorgesprekken stelde de inspecteur een bezwaarkostenvergoeding (BKV) en immateriële schadevergoeding (ISV) toe, maar eiseres vond de ISV te laag.

De rechtbank beoordeelde of de inspecteur de BKV en ISV juist had vastgesteld. De rechtbank bevestigde dat de zaken van eiseres, haar partner, de broer en diens partner samenhangen en dat de BKV correct was vastgesteld met toepassing van een wegingsfactor 1,5. De rechtbank vond echter dat de ISV te laag was vastgesteld, omdat de redelijke termijn voor de bezwaarfase met circa drie jaar was overschreden.

De rechtbank matigde de ISV met 50% vanwege gezamenlijke huishouding van eiseres en haar partner, maar niet voor de broer en diens partner. Uiteindelijk werd de ISV vastgesteld op €1.500. Daarnaast werd het griffierecht en een forfaitaire proceskostenvergoeding van €700,50 aan eiseres toegekend. De uitspraak vernietigt het bezwaarbesluit voor zover het de ISV betreft en bevestigt de rest.

Uitkomst: De rechtbank verhoogt de immateriële schadevergoeding naar €1.500 en bevestigt de juiste vaststelling van de bezwaarkostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1695
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: drs. [naam 1] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst / Kantoor Groningen, de inspecteur.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 8 april 2025.
1.2.
De inspecteur heeft aan eiseres voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend onder meer naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 76.637 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.579. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur eiseres € 2.748 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres tegen de in 1.2 bedoelde navorderingsaanslag en belastingrentebeschikking gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag en de belastingrentebeschikking vernietigd. De inspecteur heeft daarbij verder een bezwaarkostenvergoeding (BKV) en een immateriëleschadevergoeding (ISV) aan eiseres toegekend.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en een kantoorgenoot van de gemachtigde, [naam 2] , en eiseres haar partner, [naam 3] , deelgenomen. Namens de inspecteur hebben deelgenomen: mr. [naam 4] , mr. [naam 5] en mr. [naam 6] .

Feiten

2.
2.1.
Eiseres haar partner, [naam 3] (de partner) en zijn broer, [naam 7] (de broer), zijn aanmerkelijkbelanghouder van [A beheer] B.V. (de BV). De partner en de broer hebben beiden een schuld aan de BV. Die schulden zijn in 2015 toegenomen met € 153.275 per schuld.
2.2.
De partner heeft aangifte IB/PVV over 2015 gedaan (de aangifte).
2.3.
De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV van de partner afgeweken van de aangifte. Daarbij heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de aangroei in 2015 van de schuld van de partner aan de BV moet worden aangemerkt als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. Ook heeft de inspecteur zich daarbij op het standpunt gesteld dat de schuld aan de BV niet in box 3 thuishoort. De inspecteur heeft aangekondigd dat de hiermee corresponderende correcties voor de helft bij de partner en voor de helft bij eiseres zullen worden aangebracht. De inspecteur heeft vervolgens op
30 november 2019 aan eiseres de in 1.2. genoemde navorderingsaanslag opgelegd.
2.4.
De inspecteur heeft ook de aangiftes IB/PVV van de broer en diens partner gecorrigeerd. De correcties zijn inhoudelijk gelijk aan de in 2.3. bedoelde correcties bij eiseres en haar partner, maar betreffen gedeeltelijk andere bedragen.
2.5.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres tegen de navorderingsaanslag ontvangen op 12 december 2019. Het bezwaar is aangevuld met gronden, die de inspecteur heeft ontvangen op 6 februari 2020.
2.6.
Bij brief van 9 december 2022 heeft de inspecteur zijn voorgenomen uitspraak op bezwaar aan eiseres kenbaar gemaakt.
2.7.
Op 27 januari 2023 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden, waarbij eiseres, de partner en de broer en diens partner zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Tijdens dit hoorgesprek zijn de bezwaren van al deze belanghebbenden besproken. Het verslag van dit hoorgesprek luidt onder meer als volgt:

De [gemachtigde] geeft aan dat hij en zijn cliënten er met ons uit willen komen. [De inspecteur] geeft aan dat zij openstaat voor een pragmatisch oplossing die recht doen aan alle partijen, en een en ander dan laten vastleggen in een vaststellingsovereenkomst. Zij vraagt dan ook, dat de [gemachtigde] een voorstel doet. (…)
Ter afronding van het gesprek zijn volgende afspraken zijn gemaakt:
-
Afgesproken: de [gemachtigde] levert het voorstel aan per mail.”
2.8.
Op 20 februari 2023 heeft de inspecteur de gemachtigde het volgende bericht gestuurd:

Eind vorige maand hebben wij naar mijn idee een goed gesprek gevoerd over casus van uw cliënten, u heeft tijdens dat gesprek een voorstel gedaan over de wijze van afwikkeling van de zaak. (…) Om uw voorstel goed te kunnen overwegen en eventueel vast te leggen in een vaststellingsovereenkomst, willen wij u verzoeken om uw voorstel in schrijft (per e-mail) aan ons te verzenden.”
2.9.
Op 31 maart 2023 heeft de inspecteur de gemachtigde het volgende bericht gestuurd:

In uw vorige e-mail gaf u aan dat u na het overleg met uw cliënten, namens hen een reactie zou sturen. Echter heeft deze reactie ons nog niet bereikt. (…) Ik hoop spoedig van u te horen.”
2.10.
Op 12 april 2023 heeft de gemachtigde per e-mail een compromisvoorstel aan de inspecteur gedaan. Partijen hebben daarna per e-mail gecorrespondeerd over de vragen die de inspecteur nog over dit voorstel had.
2.11.
Bij brief van 18 juli 2023 heeft de inspecteur de gemachtigde verzocht om nadere informatie om een (definitief) standpunt in te kunnen nemen over het compromisvoorstel. De inspecteur heeft daarbij een reactietermijn tot 15 september 2023 gegeven. Met dagtekening 19 oktober 2023 heeft de inspecteur de gemachtigde een rappelbrief gestuurd met het verzoek de gevraagde informatie vóór 6 november 2023 te verstrekken.
2.12.
Op 30 oktober 2023 heeft de gemachtigde gereageerd op het verzoek van de inspecteur. Partijen hebben daarna opnieuw en herhaaldelijk over en weer gecorrespondeerd over de mogelijkheden om tot een compromis te komen. In dit verband heeft de inspecteur op 21 november 2024 het volgende aan de gemachtigde geschreven:

lk zou graag tot een afronding van de bezwaarschriften van de heren [naam 3 en naam 7] willen komen. (…) lk heb daarom de mij bekende cijfers op een rijtje gezet (…) Graag hoor ik van u of bovenstaande aannames juist zijn.
2.13.
Op 3 december 2024 heeft de inspecteur het volgende bericht aan de gemachtigde gestuurd:

Bedankt voor het toezenden van de gevraagde informatie. (…) Met onderstaande e-mail heb ik de laatst benodigde informatie ontvangen en wil ik de bezwaarschriftprocedure op de afgesproken wijze afwikkelen. (…) Dit betekent dat ik aan de bezwaarschriften tegemoet wil komen en de aangebrachte correcties (bijtelling reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang en verminderen schulden in box 3) zal terugdraaien.
2.14.
De inspecteur heeft 8 april 2025 uitspraak op bezwaar gedaan overeenkomstig het onder 2.13. genoemde bericht. Deze uitspraak luidt voor zover van belang als volgt:

In dit geval is sprake van vier samenhangende zaken. Vanaf vier samenhangende zaken wordt een factor 1,5 toegepast. (…) Uw cliënt komt in aanmerking voor de volgende vergoeding:
Indienen bezwaarschrift € 647
Bijwonen hoorzitting € 647
Totaal € 1.294 x 1,5 = € 1.941 / 4 = € 486.
Daarnaast ken ik u een immateriële schadevergoeding toe. (…) Het betreft hier (…) in totaal een immateriële schadevergoeding van € 3.000, d.w.z. € 750 per persoon.”

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de BKV en de ISV niet te laag heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de BKV juist heeft vastgesteld en de ISV te laag heeft vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Bezwaarkosten
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de inspecteur ten onrechte de zaken van eiseres, de partner, de broer en diens partner heeft aangemerkt als zaken die alle met elkaar samenhangen in de zin van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Volgens eiseres hangt haar zaak namelijk weliswaar samen met de zaak van haar partner, maar niet met de zaken van de broer en diens partner. Eiseres betoogt daarnaast dat de inspecteur ten onrechte is uitgegaan van een gemiddeld gewicht van de zaken als bedoeld in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb. Volgens eiseres is sprake van zware zaken en had de inspecteur dus wegingsfactor 1,5 in plaats van 1 moeten toepassen.
6. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij de BKV juist heeft vastgesteld.
Samenhang
7.1.
Samenhangende zaken zijn op grond van artikel 3, tweede lid, Bpb door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren die door het bestuursorgaan (nagenoeg) gelijktijdig zijn behandeld en waarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De beoordeling of de verrichte werkzaamheden nagenoeg identiek konden zijn, moet worden beperkt tot de proceshandelingen die in onderdeel A van de bijlage bij het Bpb zijn genoemd, zoals die daadwerkelijk door de gemachtigde zijn verricht. [1]
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de (gronden van de) bezwaarschriften die namens eiseres, de partner, de broer en diens partner zijn ingediend, identiek zijn, op enkele namen, data en getallen na. Ook bij het hoorgesprek is nagenoeg geen onderscheid gemaakt tussen de zaken van deze belanghebbenden. De inspecteur is daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht ervan uitgegaan dat sprake is van vier zaken die alle met elkaar samenhangen.
Wegingsfactor
8.
8.1.
Op grond van onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb wordt de BKV vastgesteld met inachtneming van een wegingsfactor in verband met het gewicht van de zaak. Het gewicht van de zaak wordt bepaald door het - al dan niet in geld uit te drukken - belang dat met het aanwenden van het rechtsmiddel is gemoeid en door de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de werkbelasting van de rechtsbijstandverlener die daarmee verband houdt. [2]
8.2.
De rechtbank ziet noch in het belang dat met de zaak is gemoeid, noch in de gecompliceerdheid of bewerkelijkheid van de zaak aanleiding om de zaak als zwaar aan te merken. Zoals eiseres ter zitting ook heeft erkend, is van een bovengemiddeld inhoudelijk complexe zaak geen sprake. De omstandigheid dat de inspecteur het bezwaar onvoldoende voortvarend heeft behandeld, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Die omstandigheid speelt, anders dan eiseres heeft betoogd, geen rol bij het bepalen van het gewicht van de zaak.
Slotsom
9. De slotsom van het voorgaande is dat de inspecteur de BKV niet te laag heeft vastgesteld. De beroepsgronden falen in zoverre.
Immateriële schade
10. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de inspecteur de ISV te laag heeft vastgesteld. Eiseres voert daartoe aan dat de inspecteur ten onrechte één keer € 500 per half jaar overschrijding van de redelijke termijn heeft verdeeld over eiseres, de partner, de broer en diens partner. Ook heeft de inspecteur te veel verlenging van de redelijke termijn vanwege bijzondere omstandigheden in aanmerking genomen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat € 3.500 per belanghebbende moet worden toegekend, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn met drie jaar en ongeveer twee maanden.
11. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij terecht een ISV van € 750 per belanghebbende heeft toegekend. Daarbij betoogt de inspecteur dat hij de ISV van één keer € 500 per half jaar terecht heeft verdeeld over de vier belanghebbenden, dat hij terecht een aantal verlengingen van de redelijke termijn in aanmerking heeft genomen en dat de in aanmerking te nemen termijn in ieder geval is geëindigd op 3 december 2024.
12. Tussen partijen is niet langer in geschil dat zij over de hoogte van de ISV in de bezwaarfase geen compromis hebben bereikt.
Einde van de in aanmerking te nemen termijn
13.1.
De immateriële schade die bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting voor vergoeding in aanmerking komt, is gelegen in de spanning en frustratie die een belastingplichtige ondervindt als gevolg van het geschil over de belastingheffing dat hem en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak). Die spanning en frustratie moeten worden geacht ten einde te zijn gekomen na een uitspraak waarmee dit geschil is beslecht. Dat geldt ook indien dit geschil niet is beëindigd door een uitspraak van de rechter of een uitspraak op bezwaar van de inspecteur. [3]
13.2.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met het bericht van 3 december 2024 (zie 2.13.) uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft toegezegd dat hij volledig tegemoet komt aan het bezwaar van eiseres tegen de navorderingsaanslag IB/PVV en de belastingrentebeschikking. De rechtbank verbindt daaraan de conclusie dat op 3 december 2024 het geschil over de belastingheffing als hiervoor bedoeld ten einde is gekomen. Dat betekent dat op die datum ook de in aanmerking te nemen periode voor het toekennen van ISV eindigt.
13.3.
De door eiseres gestelde omstandigheid dat zij het vertrouwen in de inspecteur gedurende de bezwaarfase is verloren en dus pas echt zekerheid had toen zij de uitspraak op bezwaar kreeg, maakt het voorgaande niet anders. Die omstandigheid laat namelijk onverlet dat de inspecteur met zijn bericht van 3 december 2024 een toezegging heeft gedaan waarop hij niet meer kon terugkomen en waarmee voor eiseres de gewenste uitkomst van de belastingzaak dus was gegarandeerd.
Bijzondere omstandigheden
14. Omdat het bezwaarschrift door de inspecteur op 12 december 2019 is ontvangen en de in aanmerking te nemen termijn op 3 december 2024 eindigt, heeft de belastingzaak van eiseres in eerste aanleg vier jaar en 357 dagen, dus afgerond vijf jaar, geduurd. De in beginsel redelijke termijn voor de berechting van de zaak in eerste aanleg van twee jaar, is dus met - naar boven afgerond - drie jaar overschreden. Dit correspondeert met een ISV van in beginsel € 3.000.
15.1.
De in beginsel redelijke termijn van twee jaar geldt behoudens bijzondere omstandigheden. Tot de bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van die termijn, wordt onder meer gerekend de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen. [4]
15.2.
De inspecteur heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn moet worden verlengd met de gehele periode tussen 27 januari 2023 en 3 december 2024, dan wel met de gehele periode tussen 1 december 2023 en 3 december 2024. De inspecteur heeft daartoe aangevoerd dat eiseres vanaf 27 januari 2023 de indruk heeft gewekt dat een compromis kon worden bereikt en dat de inspecteur uiteindelijk op 1 december 2023 akkoord is gegaan met (een inmiddels gewijzigde versie van) dat compromis. Het heeft vervolgens lang geduurd voordat eiseres alle informatie aanleverde om tot een definitieve beslissing op het bezwaar te kunnen komen, aldus de inspecteur. Daarbij heeft de inspecteur aangevoerd dat hij zelf bij dit alles voldoende voortvarend heeft gehandeld.
15.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt van de inspecteur onjuist. Niet beslissend is of de inspecteur in de bezwaarfase voldoende voortvarend is geweest. Dat de inspecteur voldoende voortvarend te werk is gegaan, betekent namelijk nog niet dat sprake is geweest van bijzondere omstandigheden die aan eiseres moeten worden toegerekend. De vraag of van zulke bijzondere omstandigheden sprake is geweest, moet concreet aan de hand van de handelwijze van eiseres in de bezwaarfase worden beoordeeld. Dat zal de rechtbank hierna doen.
15.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de redelijke termijn moet worden verlengd met de periodes tussen 15 september 2023 en 30 oktober 2023 en tussen 22 december 2023 en 11 januari 2024. De rechtbank volgt partijen hierin, omdat het hier gaat om periodes waarin eiseres gestelde termijnen voor het aanleveren van stukken overschrijdt of daarvoor uitstel krijgt, terwijl geen sprake is van het verlenen van uitstel voor de eerste keer. [5] Het aantal dagen dat met deze periodes is gemoeid, is 65. Het standpunt van de inspecteur dat bij het voorgaande ook de dagen tussen 18 juli 2023 en 15 september 2023 moeten worden meegeteld volgt de rechtbank niet, omdat die dagen zien op een periode waarin de inspecteur aan eiseres een eerste termijn had gesteld om op bepaalde vragen te reageren (zie 2.11.).
15.5.
In geschil is of de redelijke termijn ook moet worden verlengd met de periode tussen 27 januari 2023 en 12 april 2023. De inspecteur meent van wel, omdat hij eiseres gedurende deze periode herhaaldelijk heeft moet vragen naar het in 2.7. bedoelde compromisvoorstel. De rechtbank ziet voor verlenging met deze periode echter geen grond. Zowel tijdens het hoorgesprek (zie 2.7.) als in de daarop volgende brieven (zie 2.8. en 2.9.), is door de inspecteur weliswaar benadrukt dat eiseres (spoedig) met een compromisvoorstel moet komen, maar daarbij is door de inspecteur steeds geen termijn gesteld. Het is evenwel de inspecteur die, binnen de ruimte van de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, gedurende de bezwaarschriftprocedure de regie voert. Binnen die rol kan de inspecteur ervoor kiezen eiseres vrij te laten in de termijn waarop stukken worden aangeleverd, bijvoorbeeld om te bevorderen dat een compromis wordt bereikt. Gelet op die regierol van de inspecteur kan eiseres echter niet verantwoordelijk worden gehouden voor vertraging die ontstaat wanneer eiseres van de aan haar gelaten vrijheid gebruikmaakt.
15.6.
In geschil is tot slot of de redelijke termijn moet worden verlengd met de periode tussen 11 januari 2024 en 3 december 2024. Voor zover de inspecteur ook in deze periode heeft verzocht om informatie zonder daarbij een termijn te stellen, bijvoorbeeld zoals in zijn bericht van 21 november 2024 (zie 2.12.), geldt wat hiervoor in 15.5. is overwogen.
15.7.
Voor het overige constateert de rechtbank dat eiseres in deze periode in beginsel tijdig op de inspecteur reageert. Met name blijkens een bericht van de gemachtigde van 19 februari 2024, kan eiseres daarbij alleen niet op tijd alle informatie aanleveren die de inspecteur verzoekt. In het bericht van 19 februari 2024 kondigt eiseres aan dat zij op enig moment na 1 maart 2024 de nog openstaande stukken zal kunnen aanleveren. De rechtbank ziet vervolgens dat de inspecteur bijna vier maanden later, op 28 juni 2024, opnieuw om deze stukken vraagt en daarbij een termijn van veertien dagen stelt. Van deze periode van bijna vier maanden kan niet worden geoordeeld dat de vertraging toerekenbaar is aan eiseres, omdat eiseres in die periode opnieuw van de inspecteur geen deadline had gekregen waarmee zij rekening kon houden. Dat ligt anders voor de periode tussen 12 juli 2024 (veertien dagen na 28 juni 2024) en 2 oktober 2024 (de datum waarop eiseres uiteindelijk de openstaande stukken aanlevert). In deze periode overschrijdt eiseres de veertiendagentermijn van de inspecteur, zonder dat de rechtbank daarvoor een goede reden ziet. Het aantal dagen gemoeid met deze periode is 82.
16. De conclusie van het voorgaande is dat de redelijke termijn moet worden verlengd met 147 dagen. Gelet op wat in 14. is overwogen, is ook dan nog steeds sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met afgerond drie jaren. Ook als die verlenging in aanmerking wordt genomen, heeft eiseres dus in beginsel recht op een ISV van € 3.000.
Gezamenlijk procederen
17.1.
Uitgangspunt is dat de ISV aan eiseres zelfstandig toekomt. De omstandigheid dat een aantal belanghebbenden samen een procedure voert of dat zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld, kan echter een zodanig matigende invloed hebben op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die worden ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden kan vormen om de ISV te matigen. [6] Zo’n matiging kan alleen aan de orde zijn als sprake is van zaken die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. [7]
17.2.
De rechtbank overweegt dat de zaken van eiseres, de partner, de broer en diens partner gezamenlijk door de inspecteur zijn behandeld en dat die zaken in hoofdzaak ook betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. In zoverre is voldaan aan de voorwaarden voor matiging. Dat betekent echter nog niet automatisch dat ook sprake is van een ‘matigende invloed’ zoals bedoeld in 17.1. Of sprake is van zo’n matigende invloed moet de rechtbank steeds beoordelen op basis van de omstandigheden van het geval.
17.3.
Wat betreft eiseres en haar partner is de rechtbank van oordeel dat van een matigende invloed sprake is. Daartoe overweegt de rechtbank dat de financiële consequenties van de door de inspecteur toegepaste correcties het gezamenlijke huishouden van eiseres en haar partner zouden hebben getroffen, ongeacht bij wie of in welke verhouding die consequenties precies opkomen. Daarom kan worden aangenomen dat eiseres en haar partner de spanning, het ongemak en de onzekerheid die met dat vooruitzicht gepaard gingen, hebben gedeeld. Dat is voor de rechtbank aanleiding om de ISV waarop eiseres recht heeft, te matigen met 50%.
17.4.
Wat betreft eiseres en de broer en diens partner is de rechtbank van oordeel dat van een matigende invloed geen sprake is. Dat de partner en zijn broer familie zijn, maakt op zichzelf nog niet dat zij kunnen worden geacht de misère over hun belastingzaken te delen. Dat wordt ook niet anders doordat de door de inspecteur toegepaste correcties verband houden met schulden aan een BV waarin zij gezamenlijk aandeelhouder zijn. Die omstandigheden laten namelijk onverlet dat eiseres en haar partner enerzijds en de broer en diens partner anderzijds geheel afzonderlijk zouden worden getroffen door de financiële consequenties van die correcties. Daarom moeten eiseres en haar partner enerzijds en de broer en diens partner anderzijds ook worden geacht afzonderlijk te kampen met de spanning, het ongemak en de onzekerheid die gepaard gaan met de mogelijkheid van die financiële gevolgen. Voor een verdere matiging van de ISV waarop eiseres recht heeft, is dan ook geen grond.
Slotsom
17.5.
De slotsom van het voorgaande is dat eiseres recht heeft op een ISV van de helft van € 3.000, ofwel € 1.500.

Conclusie en gevolgen

18. Omdat eiseres in de bezwaarfase terecht om ISV heeft verzocht en de inspecteur die vergoeding te laag heeft vastgesteld, is het beroep gegrond. De rechtbank zal daarom in zoverre de uitspraak op bezwaar vernietigen en de inspecteur veroordelen tot het betalen van een ISV van € 1.500.
19. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan eiseres vergoeden. [8]
20. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Eiseres heeft haar verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten op de zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken, zodat de rechtbank de proceskostenvergoeding zal berekenen overeenkomstig het forfaitaire tarief dat is opgenomen in de bijlage bij het Bpb. De vergoeding op die voet berekent de rechtbank als volgt: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1 en een wegingsfactor voor samenhang tussen vier of meer zaken van 1,5, is € 2.802. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de beroepszaken van eiseres, haar partner, de broer en diens partner, met de nummers 25/1693 en 25/1695 tot en met 25/1697, met elkaar samenhangen in de zin van artikel 3 van Pro het Bpb, zodat eiseres recht heeft op een vierde deel van de proceskostenvergoeding. Dat is € 700,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, maar uitsluitend voor zover het de beslissing over de vergoeding van immateriële schade betreft;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar voor wat betreft het vernietigde deel daarvan en laat de uitspraak op bezwaar voor het overige in stand;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.500;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan eiseres moet vergoeden; en
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van € 700,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T.M. Hennevelt, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.A. Veenstra, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:420, r.o. 3.3 en Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:451, r.o. 2.3.3.
2.Vgl. Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, r.o. 3.3.3 en Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1056, r.o. 4.3.2.
3.Hoge Raad 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128, r.o. 3.3.
4.Zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.5.1.
5.Vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.6.1.
6.Zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.3.
7.Zie Hoge Raad 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1368, r.o. 2.2.2.
8.De situatie waarop r.o. 7.1.1 van het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567 ziet, is hier niet aan de orde.