Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:213

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
LEE 25/412
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:61 AwbArt. 7:4 AwbArt. 26b AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aandelen schenking aan werknemer geen loon uit dienstbetrekking

De rechtbank Noord-Nederland behandelde het beroep van eiser tegen de aanslag inkomstenbelasting 2022, waarbij de inspecteur de waarde van geschonken aandelen aan eiser als loon uit dienstbetrekking had aangemerkt. Eiser, sinds 2007 onafgebroken werkzaam voor het concern en laatstelijk directeur, had de aandelen ontvangen van de voormalig enig aandeelhouder onder voorwaarden, vastgelegd in een notariële akte.

De inspecteur stelde dat er een causaal verband bestond tussen het voordeel en de dienstbetrekking, en kwalificeerde de schenking als loon. Eiser betwistte dit en voerde aan dat het een materiële schenking was in het kader van bedrijfsopvolging, zonder loonkarakter.

De rechtbank stelde vast dat de aandelen tot het privévermogen van de schenker behoorden en dat geen compensatie door de werkgever was aangetoond. De schenker had de aandelen uit eigen beweging en met het oog op continuïteit van het familiebedrijf overgedragen, niet als werkgever. De rechtbank vond dat de inspecteur zijn bewijslast niet had voldaan om het loonkarakter aan te tonen.

Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot het door eiser opgegeven belastbaar inkomen, en proceskosten en griffierecht aan eiser toegekend. De rechtbank oordeelde ook dat de inspecteur niet in vergaande mate onzorgvuldig had gehandeld, zodat een hogere proceskostenvergoeding niet werd toegekend.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de aanslag tot het door eiser opgegeven belastbaar inkomen van € 233.836.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/412
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Brouwer),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen/kantoor Groningen, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 december 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser met dagtekening 13 september 2024 voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.033.836.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan eiser € 353.119 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. De inspecteur heeft vooraf een pleitnota toegezonden en op de zitting een (aanvullende) pleitnota voorgedragen en overgelegd. Zowel eiser als zijn gemachtigde hebben op de zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. D.G. Barmentlo. Namens de inspecteur zijn verschenen [vertegenwoordiger 1] , [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] . Eiser heeft als getuige meegebracht [de schenker] . De getuige is op de zitting gehoord. De rechtbank heeft – met instemming van beide partijen – daarvan verslag gedaan in het proces-verbaal van de zitting. [1]
1.7.
De rechtbank heeft ter zitting met partijen afgestemd dat het beroepschrift moet worden opgevat als een tweeledig beroep, dat zich enerzijds afzonderlijk richt tegen de opgelegde aanslag en zich anderzijds afzonderlijk richt tegen de belastingrentebeschikking. De rechtbank heeft daarop de behandeling van het beroep tegen de aanslag IB/PVV voortgezet onder het zaaknummer LEE 25/412. [2] Aan het beroep tegen de belastingrentebeschikking heeft de rechtbank een afzonderlijk zaaknummer toegekend (LEE 26/334). In deze uitspraak wordt alleen beslist over het beroep tegen de aanslag IB/PVV. Over het beroep tegen de belastingrentebeschikking zal in een afzonderlijke uitspraak worden beslist.
1.8.
De inspecteur heeft ten aanzien van bepaalde stukken in zijn verweerschrift een verzoek tot beperkte kennisneming gedaan als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Awb. Eiser heeft ingestemd met de beperkte kennisname. De meervoudige kamer heeft kennis genomen van de betreffende stukken. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek gerechtvaardigd is. [3]

Feiten

2.1.
[De schenker] (de schenker) was tot 17 juni 2022 enig aandeelhouder van de houdstervennootschap van [het concern] , [houdstervennootschap] B.V.
2.2.
De schenker heeft op 17 juni 2022 alle aandelen in [houdstervennootschap] B.V. ten titel van schenking geleverd aan eiser.
2.3.
Eiser is in 2000 begonnen als junior [functie] bij [het concern] . Na een korte onderbreking (in 2004) heeft hij zijn loopbaan daar op 8 oktober 2007 voortgezet. Sindsdien heeft hij onafgebroken gewerkt voor [het concern] , voorafgaand aan de schenking als laatste in de functie van directeur. Tot 1 juli 2022 was hij in dienstbetrekking bij de werkmaatschappij [werkmaatschappij 1] B.V. en met ingang van 1 juli 2022 is hij in dienstbetrekking bij [houdstervennootschap] B.V.
2.4.
De schenking en levering van de aandelen is vastgelegd in een notariële akte van levering van 17 juni 2022. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen::

“WAARDE SCHENKING

Blijkens een aan deze akte gehecht overzicht bedraagt de waarde van de aandelen: zeven miljoen achthonderdduizend euro (€ 7.800.000,00).

(…)

SCHENKINGSBEPALINGEN

Ontbindende voorwaarde
De onderhavige schenking geschiedt onder de ontbindende voorwaarde dat deze wordt
herroepen door de schenker. De onderhavige schenking kan door de schenker worden-
herroepen in de volgende gevallen:

1. met betrekking tot de onderhavige schenking komt onherroepelijk vast te staan dat

de bedrijfsopvolgingsregeling zoals opgenomen in de huidige Successiewet 1956
en/of de huidige Wet op de inkomstenbelasting, ofeen daarvoor in de plaats
tredende regeling niet van toepassing is, en/of.

2. binnen vijf (5) jaar na heden wordt in strijd gehandeld met de voortzettingsbepaling

als bedoeld in artikel 35b lid 5 juncto artikel 35e van de Successiewet 1956, en/of

3. binnen vijf (5) jaar na heden wordt het faillissement aangevraagd van de

vennootschap en/of van één of meer van haar dochtermaatschappijen als bedoeld
in artikel 2:24a van het Burgerlijk Wetboek, en/of

4. de begiftigde komt de hierna in deze akte vermelde doorgeefverplichting niet na.

Door de herroeping gaat de ontbindende voorwaarde in vervulling en keren de
aandelen, vrij van pandrechten en/of beslagen terug bij de schenker als rechthebbende-
in juridische zin.
De herroeping dient te geschieden bij notariële akte.
(…)

DOORGEEFVERPLICHTING

Indien de begiftigde geen deel meer uitmaakt van het bestuur van de vennootschap en de hiervoor bedoelde bedrijfsopvolgingsregelingen zijn nog van toepassing dan is de begiftigde verplicht de aandelen om niet over te dragen aan degene{(n) die alsdan de bestuurders van de vennootschap zijn, zulks onder dezelfde bepalingen en bedingen als waaronder de aandelen door de schenker aan de begiftigde zijn geschonken. Indien de hiervoor bedoelde bedrijfsopvolgingsfaciliteiten niet meer bestaan, of fundamenteel zijn veranderd, verplicht begiftigde zich om — in overleg met de toekomstige bedrijfsopvolgers — een zodanige overdrachtsstructuur uit te werken die het meeste recht doet aan de doorgeefverplichting zoals die is bepaald in de eerste alinea van deze bepaling.
2.5.
Het bureau [adviesbureau] heeft in opdracht van [werkmaatschappij 1] B.V. de economische waarde van de aandelen (‘equity value’) per 31 maart 2022 vastgesteld van [werkmaatschappij 1] B.V. en [werkmaatschappij 2] B.V. Dit betreft de beide werkmaatschappijen die direct onder de houdstervennootschap hangen. Uitgaande van een stand alone ‘going-concern’-situatie is deze waarde vastgesteld op € 7.800.000. In de akte van levering (zie 2.4) is deze waarde overgenomen als zijnde de waarde van de aandelen [houdstervennootschap] B.V..
2.6.
Eiser heeft op 30 oktober 2023 aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 gedaan. Daarin heeft eiser een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 233.836, bestaande uit inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking (€ 128.308 van [werkmaatschappij 1] B.V. en € 105.528 van [houdstervennootschap] B.V.).
2.7.
Met dagtekening 12 juli 2024 heeft de inspecteur een afwijkingsbrief aan eiser gestuurd waarin onder meer het volgende is geschreven:

(…)
Wij zijn van mening dat de schenking van de aandelen [houdstervennootschap] BV aan u dient
te worden aangemerkt als loon. Dit standpunt is al eerder aan u kenbaar gemaakt
in het kader van het vooroverleg. Hieronder zullen wij dit standpunt onderbouwen.
Tevens willen wij verwijzen naar de correspondentie ter zake van de
bedrijfsopvolging.

Keuze voor de heffing via de loonheffingen of via de inkomstenbelasting

(…).

De heer Brouwer heeft aangegeven dat het uw voorkeur heeft dat er gecorrigeerd
wordt via de werkgever. Wij hebben echter besloten de schenking van de aandelen
te corrigeren in de inkomstenbelasting.
De keuze om te corrigeren in de aangifte inkomstenbelasting is gebaseerd op een
drietal met elkaar samenhangende overwegingen. De eerste is dat de
schenking/bevoordeling feitelijk is verstrekt door de aandeelhouder. Ingeval van
een correctie bij de werkgever zou de werkgever ( [het concern] ) loonheffing dienen af te
dragen over loon dat door een concernonderdeel is verstrekt. [Het concern] wordt dan
feitelijk betrokken als ‘kassier’; [het concern] draagt de heffing af en er ontstaat een
verhaalsrecht op de werknemer. De tweede overweging is dat de correctie zich
beperkt tot één werknemer. De derde overweging is dat de correctie enkel ziet op
de loonbelasting en niet tot aanvullende werkgeversheffingen zou leiden. Deze
omstandigheden samen maken dat wij het passender vinden een correctie in de
inkomstenbelasting op te leggen.
Door het opleggen van een aanslag inkomstenbelasting (in plaats van een
naheffingsaanslag loonheffing) blijft bovendien een discussie over een eventuele
bevoordeling als gevolg van het beperkt of niet verhalen van de loonheffing buiten
beeld.

Schenking van aandelen

In de brief van 2 augustus 2022 is aangegeven dat [de schenker] heeft
besloten zijn belang in [het concern] over te dragen aan u. (…)
Tevens is een waarderingsrapport toegezonden waarin een totale
waarde is berekend van € 7.800.000, Volgens de adviseur zou de volledige waarde
bestaan uit ondernemingsvermogen. Ook is een berekening van de te betalen
schenkbelasting meegezonden.
In het hiervoor genoemde waarderingsrapport is opgenomen dat de opdracht is
gegeven om de economische waarde van de aandelen [werkmaatschappij 1] BV en [werkmaatschappij 2]
BV per 31 maart 2022 inzichtelijk te maken voor een
mogelijke transactie (zie bladzijden 2 en 4 van het rapport). De vorm van de
transactie is niet verder benoemd. Uit het voorgaande is niet af te leiden in
hoeverre rekening is gehouden met de in de schenkingsovereenkomst opgenomen
verplichting tot doorschenking door u op een later moment. Nu deze waardering is
overgelegd bij de schenkingsaangifte gaan wij ervan uit dat deze verplichting in de
berekende waarde verdisconteerd zit.
Er is in het verzoek aangegeven dat de volgende motieven aan de schenking ten
grondslag liggen.
  • Continuïteit van de onderneming.
  • U bent de meest geschikte opvolger (sinds 2007 in dienst) en niet de zoon van [de schenker] .
  • Bij overname zonder schenking verslechtert de financiële positie van de onderneming.

Standpunt loonvoordeel

Naar aanleiding van het verzoek van 2 augustus 2022 is er nader schriftelijk
contact geweest en hebben wij op 23 februari 2023 een gesprek gehad. De
Belastingdienst heeft daarin aangegeven dat er in dit geval gelet op de
vastgestelde feiten en de huidige stand van de jurisprudentie sprake is van loon.
Op 29 februari 2024 hebben wij een nader gesprek gehad waarin dit standpunt
verder is toegelicht. Een verslag van dit gesprek is aan u toegezonden. U heeft op
dit verslag gereageerd.
(…)
In onderhavige casus is geen sprake van vergoeden van (immateriële) schade.
Desalniettemin is ook in onderhavige casus relevant in welke hoedanigheid het
voordeel wordt genoten. Illustratief in dat kader is de volgende passage uit de
wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 8):
‘De leden van de fractie van het CDA vragen te bevestigen dat een schenking van
tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen aan de bedrijfsopvolger
(bestuurder) bij deze bedrijfsopvolger niet wordt aangemerkt als voordeel uit
dienstbetrekking. Naar aanleiding hiervan wijs ik op de voorbeelden in de memorie
van toelichting waarin de zoon uit zuiver persoonlijke overwegingen aandelen van
zijn vader krijgt of voor een te lage prijs van zijn vader koopt. Er zal dan geen
sprake zijn van loon, ook al is de zoon ook bestuurder van de vennootschap. Het
gaat in deze omstandigheden om een (materiële) schenking. Maar het kan ook
anders zijn, waarbij ik als voorbeeld de situatie noem van iemand die bij een
vennootschap in dienst treedt en daarbij zowel loon in geld als een ‘schenking’
(eventueel op termijn of onder voorwaarden) van aandelen bedingt. Die
‘schenking’ vormt dan een vergoeding van arbeid van de werknemer als zodanig.
Het hangt dus van de omstandigheden af of er hier sprake is van loon, ongeacht of
de aandelen bij de schenker tot een aanmerkelijk belang behoorden. Het
loonbegrip verandert niet door de voorgestelde faciliteit in de sfeer van het
aanmerkelijk belang.’
Uit deze passage volgt dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet heeft geleid tot een
gewijzigd loonbegrip. Er zal telkens op basis van de feiten en omstandigheden van
het geval en langs de lijnen van bestaande wet- en regelgeving beoordeeld dienen
te worden of het toekennen van aandelen kwalificeert als loon.
De hiervoor aangehaalde passage illustreert dat ingeval bij de toekenning van
aandelen de familierelatie voorop staat, er in beginsel geen sprake van loon is. Het voordeel wordt dan niet genoten uit de arbeidsrelatie maar uit de familierelatie. Ook wordt een voorbeeld gegeven waarin de arbeidsrelatie doorslaggevend is voor de bevoordeling, Dan is wel sprake van loon. In uw casus is daarom uitgebreid
onderzocht welke ‘relatie’ doorslaggevend is voor de bevoordeling.
U bent reeds gedurende 24 jaar in dienst van [het concern] . Na alle lagen van de
onderneming doorlopen te hebben, verricht u nu de functie van directeur. [het concern]
is van oudsher een familiebedrijf en [de schenker] heeft gewenst dat het
[het concern] -DNA behouden zou blijven. Vanwege uw ervaring en bewezen capaciteiten
bij [het concern] heeft [de schenker] gemeend dat u de meest geschikte kandidaat
bent om de onderneming voort te zetten. De overdracht van de aandelen heeft
plaatsgevonden als schenking om het op die manier ook financieel haalbaar te
houden. Dat gaf de beste kansen voor voortzetting van de onderneming.
U heeft derhalve de aandelen gekregen omdat u de meeste geschikte
bedrijfsopvolger bent, U bent door [de schenker] als zodanig aangemerkt
omdat u zich al gedurende 24 jaar heeft bewezen (als werknemer) binnen [het concern] .
Daarnaast is aangegeven dat u geen (nauwe) vriendschappelijke of familiaire band
heeft met [de schenker] . Gelet op het voornoemde motief en het ontbreken
van een familie- of anderszins persoonlijke of overige relatie, dient de schenking
naar onze mening zakelijk aan de dienstbetrekking te worden toegerekend, zodat
het voordeel dient te worden aangemerkt als loon. Dat gekozen is voor een
schenking om de opvolging financieel haalbaar te houden (en om zo het
bedrijfsbelang te dienen), doet niet af aan het feit dat u een voordeel uit
dienstbetrekking genoten heeft.
(…)Gelet op het ontbreken van een andere relatie dan die van de arbeidsrelatie zoals
bijv. een vriendschappelijke-/ familiaire band tussen u en [de schenker] en de
door u als werknemer verdiende status van meest geschikte bedrijfsopvolger,
achten wij een dermate causaal verband aanwezig tussen de verkrijging van de
aandelen en de dienstbetrekking, dat het voordeel kwalificeert als loon.
Samenvattend blijven wij bij ons standpunt zoals verwoord in onze brief van 17
november 2022. Nu wij van mening zijn dat er sprake is van loon bij de verkrijging
van de aandelen, dient het voordeel dan ook belast te worden.

Correctie

Er zal een correctie plaatsvinden van het inkomen uit werk en woning (box 1).

Aangegeven box inkomen: € 233.836
Correctie i.v.m. verkrijging aandelen: € 7.800.000========
Gecorrigeerd inkomen uit box 1: € 8.033.836
U ontvangt binnenkort van ons de aanslag inkomstenbelasting 2022 waarin
voornoemde afwijking van de aangifte is begrepen.
2.8.
De inspecteur heeft op 13 september 2024 aan eiser de aanslag IB/PVV 2022 opgelegd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft de inspecteur daarbij conform de afwijkingsbrief (zie 2.7.) gesteld op € 8.033.836.

Beoordeling door de rechtbank

3. In geschil is of de waarde van de geschonken aandelen (€ 7.800.000) als loon uit dienstbetrekking moet worden aangemerkt. Daarnaast is in geschil of de inspecteur – kort gezegd – heeft verzuimd alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen en zo ja, of om die reden het beroep gegrond moet worden verklaard en de inspecteur in het ongelijk moet worden gesteld.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat indien de (waarde van de) geschonken aandelen als loon moet(en) worden aangemerkt, de hoogte van dat loon gelijk is aan de door het bureau [adviesbureau] berekende waarde van de aandelen van € 7.800.000 (zie 2.5.). Dat betekent voor de uitkomst van deze procedure het volgende: als de inspecteur gelijk krijgt, klopt de aanslag zoals die er ligt en als eiser gelijk krijgt, moet de aanslag worden vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte.
Is er sprake van loonvoordeel?
5.1.
Eiser stelt – samengevat – dat sprake is geweest van (louter) een schenking van aandelen in het kader van een reële bedrijfsopvolging. Verder stelt eiser dat het voor de kwalificatie als loonvoordeel vereiste causale verband ontbreekt tussen het ‘voordeel’ en de dienstbetrekking, dat er geen bedoeling was om eiser te bevoordelen wegens of te belonen voor zijn werkzaamheden en dat het ‘voordeel’ op basis van maatschappelijke opvattingen niet als beloning wordt ervaren. De schenking is volgens eiser gedaan op grond van diverse andere motieven: zo heeft eiser de aandelen verkregen omdat hij de meest geschikte bedrijfsopvolger was, heeft hij de aandelen gekregen onder de voorwaarde om deze ook weer (om niet) door te leveren aan zijn toekomstige opvolger(s) en zou anders de continuïteit van de onderneming in gevaar kunnen komen. Daarnaast heeft eiser verzocht om een integrale proceskostenvergoeding.
5.2.
De inspecteur is van mening dat hij de schenking terecht als loon heeft aangemerkt. In de onderhavige situatie is er sprake van een causaal verband tussen het voordeel en de dienstbetrekking. De overheersende reden voor het verkrijgen van de aandelen is gelegen in de sfeer van de dienstbetrekking. Eiser had immers geen bijzondere, persoonlijke band met de schenker en kreeg de aandelen omdat hij in de uitoefening van zijn functie had bewezen een waardige opvolger te zijn van de schenker. Subsidiair is er sprake van loon van derden, aldus de inspecteur. De door eiser geschetste motieven voor de schenking wijzen er volgens de inspecteur ook op dat de aandelen zijn geschonken in het kader van de dienstbetrekking van eiser. De inspecteur ziet geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding.
6.1.
De rechtbank neemt de volgende uitgangspunten als richtsnoer bij haar overwegingen. Loon is al hetgeen uit een (vroegere) dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. [4] Het gaat in dit geval volgens de rechtbank niet om de vraag of er sprake is van een verstrekking ‘in het kader van de dienstbetrekking’, zoals de inspecteur aanvoert, maar om de vraag of de (waarde van de) aandelen loon uit dienstbetrekking vormen. Volgens de inspecteur heeft eiser de aandelen immers niet gekregen om zijn dienstbetrekking naar behoren te kunnen uitoefenen, maar als gevolg van de dienstbetrekking zelf (en de vervulling daarvan). Tot het loon behoort verder niet alleen wat de eigenlijke (formele) werkgever verstrekt, maar het kan onder omstandigheden ook omvatten wat uit hoofde van de dienstbetrekking wordt ontvangen van derden. De rechtbank merkt op dat zij hierbij het oog heeft op voordelen die worden genoten van een ander dan de werkgever, zoals uitgewerkt in de jurisprudentie van de Hoge Raad. [5] De bewijslast ter zake van het bestaan en de omvang van een loonvoordeel, rust op de inspecteur. Dat betekent dat het in dit geval aan de inspecteur is om aannemelijk te maken dat de onderhavige schenking een voordeel betreft dat als loon (al dan niet van derden) uit dienstbetrekking in aanmerking moet worden genomen.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet in zijn bewijslast is geslaagd.
6.3.
De rechtbank stelt voorop dat de aandelen voorafgaand aan de schenking behoorden tot het privévermogen van de schenker en niet tot het vermogen van de werkgever van eiser (noch van een andere, tot [het concern] behorende vennootschap). Gesteld noch gebleken is dat de schenker op de een of andere manier door de werkgever van eiser of anderszins is gecompenseerd voor de verarming die bij hem is opgetreden als gevolg van de levering van de aandelen aan eiser.
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur tegen deze achtergrond geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat de aandelen toch loon
van de werkgevervormen, waarmee de werknemer (eiser) als zodanig is bevoordeeld. De inspecteur heeft weliswaar gewezen op het causale verband tussen het verkregen voordeel en de dienstbetrekking, maar een dergelijk verband alleen betekent nog niet dat de werkgever dit voordeel aan de werknemer als zodanig heeft verstrekt. [6]
6.5.
De rechtbank leidt uit de getuigenverklaringen van de schenker af dat hij de aandelen uit eigen beweging, als natuurlijke persoon en aandeelhouder, en onder naar eigen wens en inzicht opgemaakte voorwaarden, heeft overgedragen aan eiser. Uit het getuigenverhoor is naar voren gekomen dat het motief om de aandelen te schenken voortkwam uit de diepgewortelde wens van de schenker dat de onderneming zijn karakter en zelfstandigheid zou behouden. Hierbij speelde de zorg voor de toekomst van de onderneming een grote rol: de schenker wilde niet dat [het concern] ten prooi zou vallen aan grotere spelers in de markt, die naar zijn stellige overtuiging de winstgevende activiteiten eruit zouden lichten om het restant vervolgens dood te laten bloeden. De schenker heeft in dit verband bij herhaling gewezen op de meer dan honderdjarige historie van dit (van oorsprong) familiebedrijf. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het waarschijnlijker dat de schenker – die zowel bestuurder was als enig aandeelhouder van [houdstervennootschap] B.V. – bij zijn beslissing om de aandelen te schenken vooral zijn aandeelhouderspet op had en niet zozeer zijn bestuurders-/werkgeverspet. Daarbij past in de ogen van de rechtbank dat eiser de aandelen niet ongeclausuleerd heeft verkregen, maar die aandelen – onder dreiging van een ontbindende voorwaarde die de schenker kan inroepen – te zijner tijd moet doorgeven aan zijn opvolgers. In feite heeft eiser dus niet de aandelen vrij in handen gekregen, maar alleen de volledige zeggenschap plus het recht op de winsten (dividenden) zo lang hij bestuurder blijft. Ontegenzeggelijk zou eiser dit voordeel nooit hebben genoten als hij geen werknemer van [het concern] was geweest. De schenker zag eiser immers als zijn opvolger, omdat hij in de ogen van de schenker in zijn functie als directeur had bewezen dat hij uit het juiste hout was gesneden om de onderneming in al zijn facetten te leiden (en te behouden op de wijze zoals de schenker dat wenste). De conditio sine qua non-leer geldt evenwel niet voor het loonbegrip: niet alle voordelen die zonder de dienstbetrekking niet zouden zijn verkregen, vormen ook loon ‘uit’ die dienstbetrekking. [7]
6.6.
Zoals gezegd, kan er ook sprake zijn van loon als het voordeel door een ander dan de werkgever is verstrekt. Dan gelden de uitgangspunten die de Hoge Raad heeft geformuleerd en erop neerkomen dat er alleen dan sprake kan zijn van belast loon, als het voordeel is verstrekt in opdracht van en voor rekening van de werkgever. De inspecteur heeft geen feiten gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, die erop wijzen dat de werkgever uiteindelijk de rekening heeft betaald (bijvoorbeeld door de schenker in privé te compenseren). De enkele wetenschap van de schenking bij de werkgever van eiser doet aan het voorgaande niet af: die wetenschap maakt nog niet dat de werkgever ook de opdracht heeft gegeven en de rekening heeft betaald.
6.7.
De Hoge Raad heeft gevallen waarin binnen een concern een voordeel met medeweten van de werkgever wordt verstrekt door een andere concernmaatschappij dan die waarbij de werknemer in dienstbetrekking is en dat voordeel niet aan de werkgever wordt doorberekend, op één lijn gesteld met de situatie waarin het voordeel in opdracht en voor rekening van de werkgever wordt verstrekt. [8] Naar het oordeel van de rechtbank is hier van een dergelijk geval echter geen sprake. In de eerste plaats is de schenker een natuurlijke persoon en geen andere concernmaatschappij. In de tweede plaats is er een wezenlijk verschil met de bedoelde concernsituaties: in die gevallen wordt de beslissing over de toekenning van het voordeel ergens binnen het concern genomen en worden de kosten van het verstrekte voordeel uiteindelijk ook op het niveau van het concern als geheel gedragen. Dat is hier niet aan de orde: [het concern] heeft als concern geen (financiële) bemoeienis gehad met de levering van de aandelen en heeft er ook geen last van gehad; alleen de schenker is er armer door geworden. In deze beide opzichten verschilt de casus van eiser ook van de casus waarover de Hoge Raad zich heeft uitgesproken in zijn arrest van 14 januari 2022. [9] De rechtbank ziet geen goede redenen om de jurisprudentie van de Hoge Raad op te rekken in de richting die de inspecteur kennelijk voorstaat. De concernregel die de Hoge Raad heeft geformuleerd is namelijk al een uitbreiding van de hoofdregel (‘in opdracht en voor rekening van de werkgever’) en het zou in de ogen van de rechtbank te ver gaan om die concernregel nog verder uit te breiden door ook de aandeelhouder-natuurlijk persoon als concernmaatschappij aan te merken. De Hoge Raad gebruikt in dit kader bovendien bewoordingen die wijzen op een beperkte toepassing van het loonbegrip zodra de werkgever het voordeel niet zelf heeft verstrekt. [10]
6.8.
De rechtbank oordeelt ten slotte dat er ook geen sprake is van fooien en dergelijke prestaties van derden. [11] Om daarvan te kunnen spreken, is in ieder geval vereist dat sprake is van prestaties die kunnen worden beschouwd als vergoeding, in ruime zin, voor hetgeen de werknemer als zodanig heeft verricht. [12] De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is geweest en dat de aandelen dus de vergoeding zijn voor werkzaamheden die eiser heeft verricht (zie ook 6.5). Partijen zijn het erover eens dat eiser door de schenking is bevoordeeld. Dat eiser in dienstbetrekking is bij [het concern] en geen nauwe, persoonlijke relatie met de schenker heeft, maakt op zichzelf niet dat
daardoorde schenking een vergoeding vormt voor bepaalde prestaties die eiser heeft verricht. Hoewel eiser sinds geruime tijd bij [het concern] werkzaam is, is opgeklommen tot directeur en ten tijde van de schenking in die functie bij [het concern] werkzaam was (zie 2.3.) – en de rechtbank in het licht van die feiten op zichzelf aannemelijk acht dat de schenker onder die omstandigheden tot de conclusie is gekomen dat eiser de meest geschikte bedrijfsopvolger is – heeft de inspecteur daarmee niet aannemelijk gemaakt dat het
overheersendemotief voor de schenking de bedoeling is geweest om eiser te bevoordelen voor diens prestaties. De rechtbank leidt uit hetgeen partijen hebben aangevoerd, de notariële akte van levering en de feitelijke gang van zaken af dat de schenking in ieder geval voor een belangrijk deel is ingegeven met het oog op de continuïteit van de (onderneming van) [het concern] , vooral nu in de notariële akte een doorgeefverplichting is opgenomen (zie 2.4.). De getuigenverklaringen van de schenker vormen hier ook een bevestiging van.
7. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.
8. Omdat eiser inhoudelijk al gelijk krijgt en de aanslag overeenkomstig het standpunt van eiser moet worden verminderd (zie 4), beslist de rechtbank niet meer afzonderlijk over de gestelde schending van artikel 8:42 van Pro de Awb..

Conclusie en gevolgen

9.1.
Omdat het beroep gegrond is, vernietigt de rechtbank de uitspraak op bezwaar en vermindert de rechtbank de aanslag tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 233.836. Verder moet de inspecteur het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
9.2.
Eiser heeft verzocht om een vergoeding van de werkelijke proceskosten en heeft de omvang daarvan onderbouwd door een aantal facturen van zijn rechtsbijstandsverleners te overleggen. Het totaalbedrag van die facturen ligt rond de € 47.500 (inclusief omzetbelasting).
9.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Een hogere dan de forfaitaire vergoeding kan slechts worden toegepast indien sprake is van bijzondere omstandigheden. [13] Van zulke bijzondere omstandigheden is (in ieder geval) sprake wanneer de inspecteur tegen beter weten in een beschikking of uitspraak geeft of doet of in rechte handhaaft [14] of in vergaande mate onzorgvuldig handelt. [15] Eiser heeft in dit kader onder meer aangevoerd dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zou hebben overgelegd, dat hij geen inzage in het dossier heeft gekregen nadat hij had afgezien van het hoorgesprek, dat de inspecteur aan eiser niet de redenen heeft meegedeeld voor zijn keuze om de heffing in de sfeer van de inkomstenbelasting plaats te laten vinden in plaats van in de sfeer van de loonheffing en dat het eisen van het stellen van zekerheid voor uitstel van betaling in de beroepsfase in strijd is met de invorderingswet en/of de Leidraad Invordering 2018. De rechtbank vat deze argumenten van eiser zo op dat eiser erop doelt dat er sprake is van in vergaande mate onzorgvuldig handelen door de inspecteur.
9.4.
De rechtbank maakt uit het dossier op dat de redenen voor de keuze om de heffing in de sfeer van de inkomstenbelasting plaats te laten vinden, wel degelijk aan eiser zijn medegedeeld (zie 2.7.). Daarnaast is de gang van zaken betreffende het (al dan niet of onder bepaalde voorwaarden) verlenen van uitstel van betaling in de beroepsfase geen kwestie waar de inspecteur over gaat, maar de ontvanger. Dat is een ander bestuursorgaan en de gedragingen daarvan, wat daar ook van zij, kunnen in het kader van deze procedure tegen de heffing en de aanslag geen bijzondere omstandigheden opleveren die de inspecteur tot een hogere proceskostenvergoeding zouden nopen.
9.5.
De rechtbank ziet ook in het dossier dat de inspecteur op verschillende momenten extra stukken heeft verstrekt die mogelijk als 8:42-stukken hebben te gelden. Dat verdient – vriendelijk gezegd – niet de schoonheidsprijs. Of alle vereiste stukken daarmee zijn aangeleverd of niet, blijft tussen partijen een punt van discussie en er zijn meerdere momenten aan te wijzen waarop de rechtbank zich wel kan voorstellen dat eiser het vermoeden heeft gehad dat niet alles wat mogelijk relevant is, ook is overgelegd. Duidelijk is in ieder geval dat bepaalde 8:42-stukken niet op het vroegst mogelijke moment zijn overgelegd. Dat is weliswaar onzorgvuldig, maar deze onzorgvuldigheid is naar het oordeel van de rechtbank (gelet op de aard en context van de stukken) niet zodanig ernstig (zoals bedoeld in de jurisprudentie van de Hoge Raad [16] ) dat dit bijzondere omstandigheden oplevert in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat eiser op juridisch-inhoudelijke gronden gelijk heeft gekregen en in zoverre niet buitensporig in zijn belangen is geschaad door het verzuim van verweerder om (tijdig) alle relevante stukken te overleggen.
9.6.
Dat eiser geen inzage in zijn dossier heeft gekregen, levert ook geen bijzondere omstandigheden op, nu het inzagerecht in de bezwaarfase dat artikel 7:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt, nu eenmaal is gekoppeld aan het horen en eiser heeft afgezien van een hoorgesprek. [17]
9.7.
De rechtbank ziet al met al geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen dan de vergoeding van de forfaitair bepaalde proceskosten.
9.8.
De rechtbank stelt de proceskosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Bpb vast op € 2.534 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2022 tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 233.836;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.534 aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, voorzitter, en mr. M. Sanna en
mr. T. van de Bospoort, leden, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
griffier
voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:61, achtste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Voor zover noodzakelijk met (overeenkomstige) toepassing van artikel 26b, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 24a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
3.Zie artikel 8:29, derde en vijfde lid, van de Awb.
4.Artikel 10, eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB).
5.Hoge Raad 1 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7993, r.o. 4.2.
6.Zie Hoge Raad 24 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5026, r.o. 3.3.
7.Vgl. Hoge Raad 24 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5026, r.o. 3.3-3.4.
8.Hoge Raad 1 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7993, r.o. 4.2.
9.Hoge Raad 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:15.
10.De rechtbank wijst hierbij op de woorden ‘slechts’ en ‘alleen’ in Hoge Raad 10 augustus 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3150, r.o. 3.3.
11.Als bedoeld in artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB).
12.Zie Hoge Raad 10 augustus 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3150, r.o. 3.4.
13.Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
14.Zie Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.
15.Zie Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.
16.Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.
17.Zie Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1107, r.o. 3.4. en Hoge Raad 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3833 r.o. 3.1.