ECLI:NL:HR:2000:AA7993

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
361
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • G.J. Zuurmond
  • A.G. Pos
  • L. Monné
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 3 Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 4 Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 7 Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 18c Coördinatiewet Sociale Verzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt premieplicht voor voordelen uit aandelenspaarplan binnen concern

X B.V., een dochtervennootschap van een Amerikaanse moedervennootschap, kreeg correctienota’s opgelegd door het Lisv vanwege premieplichtige voordelen die werknemers genoten uit een aandelenspaarplan van de moedermaatschappij. Na bezwaar en beroep bij de Arrondissementsrechtbank en de Centrale Raad van Beroep, die de correctienota’s bevestigden, stelde X B.V. cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat voordelen die een werknemer ontvangt van een andere concernmaatschappij dan zijn werkgever, met medeweten van die werkgever en zonder doorberekening, als premieplichtig loon moeten worden beschouwd volgens de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). De Centrale Raad van Beroep heeft dit correct toegepast.

Daarnaast stelt de Hoge Raad vast dat in cassatie geen onderzoek kan worden gedaan naar feitelijke klachten of motiveringsgebreken, waardoor de overige middelen falen. De Hoge Raad wijst het beroep af en veroordeelt X B.V. niet in proceskosten. Hiermee wordt de rechtspraak van de lagere instanties bekrachtigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de premieplicht voor voordelen uit het aandelenspaarplan binnen het concern.

Uitspraak

Nr. 361
1 november 2000
TVW
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 april 1999 betreffende het besluit van het bestuur van de voormalige Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen (hierna: de Bedrijfsvereniging), thans Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv) met betrekking tot over de premietijdvakken 1990 tot en met 1993 aan X B.V. opgelegde correctienota’s.
1. Beslissing van het bestuur van de Bedrijfsvereniging en geding voor de Arrondissementsrechtbank
Bij besluiten van 18 en 19 juli 1994 heeft het bestuur van de Bedrijfsvereniging (hierna: het Bestuur) aan X B.V. over de jaren 1990 tot en met 1993 correctienota’s opgelegd in verband met de door werknemers van belanghebbende genoten voordelen uit een aandelenspaarplan, welk besluit, na daartegen gemaakt bezwaar, bij beslissing op bezwaarschrift van 28 december 1994 door het Bestuur is gehandhaafd.
Tegen deze laatste beslissing heeft X B.V. beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te Utrecht.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 10 maart 1997 het beroep ongegrond verklaard.
2. Geding voor de Centrale Raad van Beroep
X B.V. heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
De Centrale Raad van Beroep heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is aan dit arrest gehecht.
3. Geding in cassatie
X B.V. heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het Lisv heeft een vertoogschrift ingediend.
4. Beoordeling van de middelen
4.1. In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. X B.V. is een dochtervennootschap van de in de Verenigde Staten gevestigde moedervennootschap A Corporation. Bepaalde werknemers van X B.V. krijgen de mogelijkheid om deel te nemen aan een aandelenspaarplan dat door de moedermaatschappij voor groepsmaatschappijen in het leven is geroepen. Het door de deelnemende werknemers uit het aandelenspaarplan genoten voordeel is door de bedrijfsvereniging aangemerkt als premieplichtig loon ter zake waarvan aan X B.V. correctienota’s zijn opgelegd over de premiebetalingstijdvakken 1990 tot en met 1993.
4.2. Indien, zoals hier, een werknemer in de zin van artikel 2 Co Proördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV) in verband met zijn dienstbetrekking een voordeel geniet van een ander dan die werkgever in de zin van artikel 3 CSV Pro, is - behoudens indien en voor zover sprake is van fooien en dergelijke prestaties van derden welke op grond van artikel 7 CSV Pro in verbinding met artikel 1 van Pro het Besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 21 december 1989, nr. 8920774 (hierna: het Fooienbesluit), tot het loon behoren - slechts sprake van premieplichtig loon in de zin van artikel 4 CSV Pro indien dat voordeel wordt verstrekt in opdracht van en voor rekening van die werkgever. Met laatstbedoelde situatie moet echter op één lijn worden gesteld een geval als het onderhavige waarin binnen een concern het voordeel met medeweten van de werkgever wordt verstrekt door een andere concernmaatschappij dan die waarbij de werknemer in dienstbetrekking is en dat voordeel niet aan de werkgever wordt doorberekend. De slotsom waartoe de Centrale Raad is gekomen, is derhalve juist, wat er zij van de daarvoor gebezigde gronden. Middel 2 faalt mitsdien.
4.3. Ingevolge artikel 18c, lid 1, van de CSV kan slechts beroep in cassatie worden ingesteld tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 8 van de CSV. Dit betekent dat in cassatie met betrekking tot uitspraken van de Centrale Raad klachten van feitelijke aard niet kunnen worden onderzocht en dat over gebreken in de motivering van de uitspraak niet met vrucht kan worden geklaagd. Om deze reden falen ook de middelen 1, 3 en 4.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 1 november 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, A.G. Pos, L. Monné en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.