Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1848

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
LEE 24/141
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 229 GemeentewetArt. 229b Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling overschrijding opbrengstlimiet leges omgevingsvergunning gemeente Het Hogeland

Eiseres, een B.V., maakte bezwaar tegen een legesfactuur van de gemeente Het Hogeland voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een fabriek. De heffingsambtenaar had de factuur aanvankelijk vastgesteld op €1.005.783,35, maar verlaagde deze na bezwaar tot €958.303,35. Eiseres stelde dat de opbrengstlimiet zoals bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet was overschreden en dat het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel waren geschonden.

De rechtbank beoordeelde of de opbrengstlimiet was overschreden en of de gemeente voldoende inzicht had gegeven in de ramingen van baten en lasten. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had verschaft door een gedetailleerd overzicht van kosten en baten, inclusief een uitsplitsing van overhead en directe kosten. Hoewel er discrepanties waren tussen verschillende begrotingsdocumenten, achtte de rechtbank de toelichtingen van de gemeente voldoende om de ramingen te begrijpen.

Eiseres had onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom bepaalde posten niet als last ter zake konden worden aangemerkt. Ook het beroep op het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel faalde omdat de heffingsambtenaar het bezwaar terecht had opgevat als gericht op de individuele legesheffing en niet op de opbrengstlimiet. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de factuur, zoals verminderd in bezwaar, in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de legesaanslag wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/141

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

B.V. [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.M. Rensing),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Het Hogeland, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 20 november 2023.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiseres bij schriftelijke kennisgeving in de vorm van een factuur van 26 oktober 2022, leges in rekening gebracht voor een bedrag van € 1.005.783,35 (de factuur).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en hij heeft de factuur verlaagd tot een bedrag van € 958.303,35.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] namens eiseres, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres en [naam 2] . Daarnaast is de heffingsambtenaar verschenen, bijgestaan door mr. [naam 3] en [naam 4] .

Feiten

2. Eiseres heeft op 27 juni 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een fabriek op een perceel in [adres] (de aanvraag).
2.1.
Vanwege de onder 2. genoemde aanvraag is aan eiser, op grond van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2022 (de Verordening) en de daarbij behorende tarieventabel van de gemeente Het Hogeland, bij factuur een bedrag van € 1.005.783,35 aan leges in rekening gebracht.
2.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de factuur. In dit bezwaar is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

Met dit schrijven wil ik namens [bedrijf] bezwaar maken tegen de hoogte van de door u opgelegde legeskosten. Ons inziens overstijgen de door u geraamde baten middels deze legesheffing de daarmee verband houdende lasten. Graag ontvangen wij hierover van u een onderbouwing.
2.3.
Bij uitspraak op bezwaar gericht aan [bedrijf] heeft de heffingsambtenaar de factuur voor de leges voor de aanvraag verminderd tot een bedrag van € 958.303,35.
2.4.
De programmabegroting 2022 (de begroting) is in de vergadering van de gemeenteraad van de gemeente Het Hogeland van 10 november 2021 vastgesteld. In de begroting is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
Totaaloverzicht van de gemeentelijke heffingen
De totale opbrengst aan belastingen en retributies in de gemeente Het Hogeland laat zich als volgt specificeren:
Bedragen x € 1.000
Belastingsoort
Begroting
2021
Begroting
2022
(…)
(…)
(…)
Secretarieleges
691
717
Leges Omgevingsvergunning
1.377
1.63
Marktgelden
26
27
(…)

Overhead toerekening aan kostendekkende leges en nieuwe BBV

(…)
Bovenstaande houdt in dat voor de bepaling van de kostendekkendheid van de heffingen de overhead alleen buiten de begroting om aan de tarieven kan worden toegerekend.
De gemeente is vrij in de wijze waarop overhead aan heffingen wordt doorberekend. In de begroting 2020 is uitgegaan van het toerekenen van overhead aan de heffingen op basis van de omvang van de loonkosten. Dit is een transparante en eenvoudige methode om overhead toe te rekenen.
Het opslagpercentage wordt dan als volgt berekend:
Totale overhead / totale loonkosten = opslagpercentage
Op basis van de begroting van de gemeente Het Hogeland is de opslag voor 2022 berekend op 71,66 %.
Kosten overhead (€)
Loonkosten (€)
Opslag %
€ 28.923.215
€ 40.359.787
71,66
2.5.
De heffingsambtenaar heeft een overzicht gegeven van de kostendekkendheid van de Verordening (overzicht kostendekkendheid) [1] . Dit overzicht is een verdere specificatie van de begroting. Het overzicht luidt als volgt:
2.6.
De heffingsambtenaar heeft een verdere uitsplitsing per titel en hoofdstuk van de directe kosten gegeven. In deze verdere uitsplitsing is per kostenplaatsniveau aangegeven waaruit de directe kosten bestaan. Zo is bijvoorbeeld voor Titel 2, Hoofdstuk 3, omgevingsvergunningen, het volgende vermeld:
2.7.
Het jaarverslag en de jaarrekening 2022 (de jaarstukken) zijn in de vergadering van de gemeenteraad van de gemeente Het Hogeland van 5 juli 2023 vastgesteld. In de jaarstukken is het volgende overzicht opgenomen:

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de leges terecht van eiseres zijn geheven. Meer in het bijzonder beoordeelt de rechtbank of de zogeheten opbrengstlimiet als bedoeld in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet is overschreden en om die reden de aanslag moet worden vernietigd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden. Tussen partijen is niet in geschil dat aan het belastbare feit zoals dat volgt uit de Verordening is voldaan en dat de hoogte van de factuur (na vermindering in bezwaar) in overeenstemming is met het tarief dat volgt uit de Verordening en de daarbij behorende tarieventabel.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de opbrengstlimiet niet is overschreden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel niet zijn geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Vooraf
4. De rechtbank en partijen hebben geconstateerd dat de uitspraak op bezwaar verkeerd te naam is gesteld. De factuur is gericht aan B.V. [eiseres] (1.1.) en het bezwaar is ook door haar ondertekend. De uitspraak op bezwaar is gericht aan [bedrijf] (2.3.). Het beroep is ingediend door [bedrijf] . Bij zijn machtiging heeft de gemachtigde van eiseres een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd van B.V. [eiseres] . In het beroepschrift geeft de gemachtigde van eiseres aan dat [bedrijf] een handelsnaam is van B.V. [eiseres] . Hij verzoekt om [bedrijf] en B.V. [eiseres] te vereenzelvigen. De heffingsambtenaar heeft op de zitting meegedeeld dat de uitspraak op bezwaar per ongeluk verkeerd te naam is gesteld. Het bedrag waarmee de factuur naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar (2.3.) is verminderd, is wel terugbetaald aan B.V. [eiseres] . Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat het voor B.V. [eiseres] voldoende duidelijk was dat de uitspraak op bezwaar voor haar bestemd was. Er bestaat daarom geen aanleiding om de uitspraak op bezwaar vanwege de onjuiste tenaamstelling te vernietigen. [2] De rechtbank zal, mede gelet op het verzoek van de gemachtigde, B.V. [eiseres] aanmerken als eiseres.
Is de opbrengstlimiet overschreden?
Wat zijn de standpunten van partijen?
5. Eiseres voert aan dat onvoldoende inzicht is gegeven in de ramingen. De heffingsambtenaar heeft slechts twee tabellen met algemene ramingen overgelegd. Eiseres wijst er hierbij op dat de getallen die genoemd worden in de jaarstukken, de begroting en het overzicht kostendekkendheid niet op elkaar aansluiten. Mocht de rechtbank de ramingen wel voldoende inzichtelijk vinden, dan heeft eiseres aangevoerd dat de heffingsambtenaar niet inzichtelijk heeft gemaakt of kosten van wettelijke taken zijn meegenomen als een last ter zake. Ook stelt eiseres dat er geen inzicht is gegeven in de personeels- en overheadkosten en dat het niet duidelijk is hoe deze zijn opgebouwd. Tot slot stelt eiseres dat gelet op het resultaat dat volgt uit de jaarstukken (‘Werkelijk 2022’) de baten te laag zijn geraamd.
5.1.
De heffingsambtenaar stelt dat hij voldoende inzicht heeft gegeven in de ramingen, omdat er een overzicht van de kosten op kostenplaatsniveau is gegeven. Daarnaast is inzicht gegeven in de overheadkosten. Wat betreft het niet aansluiten van de getallen die worden genoemd in de jaarstukken, begroting en overzicht kostendekkendheid stelt de inspecteur dat dit de dekking niet raakt. In alle gevallen overschrijden de baten de lasten niet. De stelling van eiseres dat niet inzichtelijk is gemaakt of kosten van wettelijke taken zijn meegenomen, is volgens de heffingsambtenaar te algemeen om aan te merken als een gemotiveerde betwisting van een last ter zake. Wat betreft de baten heeft de heffingsambtenaar aangevoerd dat hij voorzichtig mag begroten en dat de baten niet te laag zijn begroot. De heffingsambtenaar wijst erop dat gekeken moet worden naar de begroting en niet naar het uiteindelijke resultaat.
Wat is het wettelijk kader?
6. Artikel 229, eerste lid, onderdeel b van de Gemeentewet bepaalt dat rechten kunnen worden geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Hieronder vallen leges voor het aanvragen van een omgevingsvergunning.
6.1.
In artikel 229b, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat in een verordening op grond waarvan rechten worden geheven, de tarieven zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake (de opbrengstlimiet).
6.2.
Op grond van de Verordening worden door de heffingsambtenaar leges geheven. Uit de tarieventabel bij de Verordening volgt dat de hoogte van de leges voor de aanvraag van een bouwvergunning mede afhankelijk is van de totale bouwsom van het project waarvoor de bouwvergunning wordt verleend.
Wat is het toetsingskader?
7. Bij de beoordeling van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden, zijn de bewijsregels zoals deze door de Hoge Raad in een aantal arresten zijn geformuleerd van overeenkomstige toepassing. [3] Die regels kunnen als volgt worden samengevat.
7.1.
Uitgangspunt is dat de bewijslast wat betreft de feitelijke onderbouwing van het beroep op de overschrijding van de opbrengstlimiet op eiseres rust. Als eiseres een overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde stelt, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar om inzicht te verschaffen in de raming van de baten en de lasten die in de begroting zijn opgenomen. Hierbij hoeft niet over alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of een volledig inzicht te bestaan. Van de heffingsambtenaar mag niet worden verlangd dat hij van alle in de verordening onderscheiden categorieën afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe de kosten ter zake daarvan zijn geraamd.
7.2.
Omdat op eiseres de bewijslast rust van de feiten die een overschrijding van de opbrengstlimiet onderbouwen, moet eiseres vervolgens voldoende gemotiveerd stellen waarom naar haar oordeel over een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake. De heffingsambtenaar moet dan voor die posten verdere inlichtingen verschaffen. Aan die inlichtingen mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat de heffingsambtenaar naar vermogen duidelijk maakt op grond waarvan hij de stellingen van eiseres betwist en waarom dus naar zijn oordeel de door eiseres opgeworpen twijfel ongegrond is. Met ‘naar vermogen’ wordt bedoeld de mate waarin de heffingsambtenaar daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is.
7.3.
Als eiseres vervolgens stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, komt bewijslevering aan de orde en draagt eiseres de bewijslast. Na de bewijslevering moet de rechtbank de rechtsvraag beantwoorden welke posten kunnen worden beschouwd als een last ter zake en in het licht daarvan beoordelen of de opbrengstlimiet is overschreden. Bij deze beoordeling moet de rechtbank uitgaan van de feiten die zij bewezen vindt na de bewijslevering door eiseres.
7.4.
Bij het voorgaande geldt dat de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden moet kijken naar het totaal van de geraamde baten van de rechten die in een verordening zijn geregeld, en het totaal van de geraamde lasten die de werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten worden geheven. [4]
7.5.
Voor de raming van de baten geldt dat een prognose van het aantal bouwaanvragen en daarbij behorende bouwsommen naar haar aard met veel onzekerheid omgeven is. Een gemeente die legesopbrengsten met voorzichtigheid raamt, kan niet worden tegengeworpen dat zij die opbrengsten te pessimistisch heeft geschat. Het volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedrag aan legesopbrengsten, kan pas dan niet worden aanvaard, als de gemeente die opbrengsten in redelijkheid niet op dat bedrag heeft kunnen ramen. [5]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank beoordeelt eerst of de heffingsambtenaar voldoende inzicht heeft gegeven in de ramingen. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht heeft gegeven. Zij overweegt hiertoe als volgt.
8.1.
De rechtbank overweegt dat de strekking van de jurisprudentie van de Hoge Raad is, dat eiseres in staat moet worden gesteld om voldoende gemotiveerd aan te kunnen geven waarom voor bepaalde posten geen sprake is van een last ter zake (7.1. tot en met 7.3.). De heffingsambtenaar heeft een overzicht kostendekkendheid (2.5.) overgelegd waarin per hoofdstuk en titel inzicht is gegeven in de totale directe kosten, overhead en baten. De directe kosten heeft de heffingsambtenaar daarna voor elke titel en elk hoofdstuk op kostenplaatsniveau uitgesplitst (2.6.). De heffingsambtenaar heeft hiermee inzichtelijk gemaakt uit welke verschillende posten de directe kosten zijn opgebouwd. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar verwezen naar de begroting, waarin is toegelicht hoe het bedrag aan overheadkosten is opgebouwd (2.4.). Ter zitting is door de heffingsambtenaar toegelicht dat de baten worden geraamd door uit te gaan van een vast niveau aan baten dat elk jaar wordt gehaald en dat daarnaast aan de medewerkers van de gemeente wordt gevraagd of er in het aankomende belastingjaar nog (grote) projecten te verwachten zijn. Met het overleggen van deze stukken en de toelichting ter zitting heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank eiseres voldoende in staat gesteld om een standpunt in te nemen over de opbouw en omvang van de directe kosten, overheadkosten en baten. Eiseres was in staat om deze posten (zo nodig) gemotiveerd te betwisten. Hierbij wijst de rechtbank erop dat niet over alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of een volledig inzicht hoeft te bestaan (7.1.).
8.2.
Eiseres heeft gewezen op de discrepanties tussen de geraamde baten in het door de heffingsambtenaar overgelegde overzicht kostendekkendheid (2.5.) [6] , de begroting (2.4.) [7] en de jaarstukken (2.7.) [8] . Hoewel het ongelukkig is dat in deze stukken de geraamde baten cijfermatig niet aansluiten, is de rechtbank van oordeel dat toch voldoende inzicht is gegeven in de ramingen. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat het verschil tussen de geraamde baten in het overzicht kostendekkendheid en in de begroting voortkomt uit afrondingsverschillen. Het verschil met het bedrag zoals genoemd in de jaarstukken onder ‘begroting primitief 2022’, komt volgens hem doordat in dit bedrag geen rekening is gehouden met stelposten die voortkomen uit beslissingen van de gemeenteraad. Voor zover in de jaarstukken over de ‘begroting na wijziging’ wordt gesproken, gaat dit om een wijziging die lopende het jaar 2022 heeft plaatsgevonden. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat uit moet worden gegaan van de programmabegroting zoals vastgesteld op 10 november 2021 (2.4.). De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar met deze toelichting de eventuele verwarring over de verschillende cijfers heeft weggenomen. Gelet op deze gegeven toelichting was eiseres naar het oordeel van de rechtbank voldoende in staat om zich een oordeel te vormen over de hoogte van de geraamde baten en deze zo nodig te betwisten (wat zij ook heeft gedaan, zie 10.).
9. Vervolgens komt de vraag aan de orde of eiseres voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar haar oordeel over een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Eiseres heeft in algemene zin aangevoerd dat niet inzichtelijk is of kosten voor wettelijke taken zijn meegenomen, maar zij heeft niet specifiek aangevoerd voor welke posten dit geldt. Daarnaast heeft eiseres gewezen op de posten personeels- en overheadkosten, maar zij heeft niet gemotiveerd aangegeven waarom deze posten volgens haar te hoog zijn geraamd. Alleen de stelling dat deze posten een ‘black box’ zijn, is onvoldoende om te voldoen aan de stelplicht die op eiseres rust. Voor zover eiseres heeft verwezen naar de jaarstukken, overweegt de rechtbank dat zij bij een beroep op de opbrengstlimiet moet beoordelen of er goed is
geraamd.Het uiteindelijke
resultaaten de daaruit voortvloeiende vragen voor ramingen voor komende jaren, spelen bij deze beoordeling geen rol.
10. Eiseres heeft verder naar voren gebracht dat gelet op het resultaat dat volgt uit de jaarstukken (‘Werkelijk 2022’) (2.7.) de baten te laag zijn geraamd. De rechtbank stelt voorop dat de gemeente met voorzichtigheid mag ramen. Hierbij geldt dat een prognose van het aantal omgevingsvergunningen en daarbij behorende bouwsommen naar haar aard met veel onzekerheid omgeven is (7.5.). De rechtbank overweegt dat het voor de gemeente lastig is in te schatten wanneer een aanvraag voor een omgevingsvergunning daadwerkelijk wordt ingediend. De gemeente heeft hier geen invloed op en er zijn veel factoren die hierbij een rol spelen (denk bijvoorbeeld aan de verkrijging van financiering, de aansluiting op het stroomnet en de beschikbaarheid van een aannemer). De situatie van eiseres is hier een goed voorbeeld van. Eiseres heeft lange tijd geprobeerd om de fabriek in Amsterdam te bouwen, maar heeft er om verschillende redenen uiteindelijk toch voor gekozen om een fabriek in [adres] te bouwen. Dat in het gebied rond [adres] veel werd ontwikkeld (zoals eiseres stelt) maakt, vanwege de onzekerheid over het moment waarop omgevingsvergunningen worden aangevraagd, niet dat de gemeente de baten hoger had moeten ramen. Bij het voorgaande weegt mee dat de heffingsambtenaar ter zitting heeft toegelicht dat de uiteindelijke dekkingsgraad van de legesverordening in 2020 98 % was, en in 2021 70 %. Hieruit volgt dat de gemeente in de voorgaande jaren (vrij) accuraat de baten heeft begroot. In die jaren hebben de baten de lasten niet overschreden. Voor de gemeente was er gelet hierop geen aanleiding om voor het jaar 2022 op een andere manier te ramen dan in voorgaande jaren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gemeente in redelijkheid de opbrengsten op het in de begroting (2.4.) genoemde bedrag heeft kunnen ramen.
10. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat de kosten die door de gemeente zijn gemaakt vele malen lager zijn dan het bedrag aan leges dat zij heeft moeten betalen, overweegt de rechtbank als volgt. Tussen de hoogte van de geheven leges aan de ene kant en de omvang van de door de gemeente gemaakte kosten voor die desbetreffende aanvraag aan de andere kant, hoeft geen rechtstreeks verband te zijn. [9] Dit argument gaat dus niet op.
12. Gelet op dat wat de rechtbank in 8.1. tot en met 11. heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de beroepsgrond van eiseres dat de opbrengstlimiet is overschreden niet slaagt.
Is sprake van een schending van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel?
Wat zijn de standpunten van partijen?
13. Eiseres stelt dat het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden, omdat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar niet is ingegaan op haar bezwaargrond dat de opbrengstlimiet is overschreden.
13.1.
De heffingsambtenaar voert aan dat het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel niet zijn geschonden. De heffingsambtenaar heeft de bezwaargrond van eiseres zo geïnterpreteerd dat het ging over de aan eiseres individueel verleende dienst en de daarmee gepaard gaande leges. De vraag of de opbrengstlimiet was overschreden, was in bezwaar daarom volgens de heffingsambtenaar nog niet aan de orde.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
14. De rechtbank overweegt dat de tekst in het bezwaarschrift (2.2.) op meerdere manieren kan worden uitgelegd. Eiseres spreekt in de tweede volzin van het onder 2.2. geciteerde stuk tekst over
deze legesheffing.Tekstueel gezien verwijst
deze legesheffingterug naar de vorige zin. In die zin benoemt eiseres dat zij bezwaar wil maken tegen
de door u opgelegde legeskosten. De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar daarom in redelijkheid de bezwaargrond zo heeft kunnen opvatten, dat deze alleen was gericht tegen de aan eiseres individueel verleende dienst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar daarom het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel niet geschonden door niet in te gaan op de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden.

Conclusie en gevolgen

15. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond van eiseres dat de opbrengstlimiet is overschreden niet slaagt (12.). Ook het beroep op het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel slaagt niet (14.). Het is beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat de factuur, zoals na vermindering in bezwaar, in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, voorzitter, en mr. M. Sanna en mr. F. Brekelmans, leden, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier.
griffier
De oudste rechter heeft de uitspraak ondertekend, omdat de voorzitter buiten staat is mede te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bijlage 5 bij het verweerschrift
2.Vgl. Hoge Raad 31 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2356.
3.Zie o.a. de arresten van de Hoge Raad van 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, van 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777 en van 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:938.
4.Zie Hoge Raad 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:282, r.o. 2.4.
5.Zie Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:780, r.o. 3.6.3.
6.Totaal geraamde baten € 2.343.691, zie 2.5.
7.Totaal geraamde baten (€ 717 + € 1.630 + € 27 * 1000 = ) € 2.374.000, zie 2.4.
8.Totaal geraamde baten (€ 647 + € 1.024 + € 25 * 1000=) € 1.696.000, zie 2.7.
9.Zie Hoge Raad 24 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3345, r.o. 3.8. en Hoge Raad 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1943, r.o. 3.5.1.