Uitspraak
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 9 april 2026 in de zaken tussen
[X] , uit [Z] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Dantumadiel, de heffingsambtenaar
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
wijzigingvan de Begroting 2023. Die wijziging heeft in overeenstemming met artikel 192, eerste lid, van de Gemeentewet plaatsgevonden vóór het eind van het begrotingsjaar. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de rechtmatigheid van zowel (i) de vaststelling van de Verordening A 2023, als (ii) de wijziging van de Begroting 2023. De rechtbank merkt in dit kader op dat de minpost voor ‘Voorgestelde tariefstijging’, die in de Begroting onder de Baten staat vermeld, aansluit bij de toelichting die de heffingsambtenaar heeft gegeven (6.2.) De rechtbank ziet verder ook nergens dat de Verordening A 2023 twee keer zou zijn vastgesteld (dat is dus feitelijk onjuist). Anders dan eiser kennelijk meent, brengt de wijziging van de Begroting 2023 tegelijk met de (eerste en enige) vaststelling van de Verordening A 2023 ook niet mee dat er geen begroting meer is die als uitgangspunt kan dienen voor de toetsing aan de opbrengstlimiet. Deze beroepsgrond faalt.
hoogtevan de raming door de beugel kan. Gelet op deze standpunten van partijen, zal de rechtbank voor die posten beoordelen of de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom in bepaalde gevallen is afgeweken van het GRP-5. De rechtbank zal verder, voor zover de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordelen of sprake is van een ‘last ter zake’ en of de gemeente de hoogte van de ramingen in redelijkheid op de aangepaste bedragen heeft kunnen vaststellen.